Wat bepaalt het succes of falen van de promovendi?

Inleiding

Beleidsmakers, de branche en de promovendi hebben voor een groot deel gelijksoortige wensen: meer promovendi en minder vertraging en afhakers onder de promovendi dan nu het geval is. Maar welke factoren bepalen nu of een afgestudeerde gaat promoveren en hierin succesvol is?

In 2004/2005 is een onderzoek uitgevoerd naar de cruciale faal- en succesfactoren die het rendement van promotietrajecten aan de Nederlandse universiteiten bepalen. Het onderzoek is uitgevoerd door EIM Onderzoek voor Bedrijf & Beleid in opdracht van het ministerie van OCW. In de begeleidings-commissie waren het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) en de samenwerkende universiteiten (VSNU) vertegenwoordigd.

Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van literatuuronderzoek, een internetenquête onder promovendi en hun begeleiders en case studies. Voor de case studies is gekeken is naar best practices en is navraag gedaan bij jonge academici die niet gekozen hebben voor een promotietraject en afhakers.

De resultaten zijn weergegeven in het rapport Rendement verkend. Succes- en faalfactoren van promotietrajecten aan Nederlandse universiteiten (Berger & De Jonge, 2005).

In dit artikel worden enkele resultaten en conclusies uit het rapport gepresenteerd.

Rendementen

In 1986 is het zogenaamde aio-stelsel (assistent in opleiding) ingevoerd. Dit stelsel biedt een promovendus een tijdelijke aanstelling. Gedurende deze aanstelling dient de promovendus of aio onderwijs en begeleiding te ontvangen, veelal ook zelf onderwijs te verzorgen en te werken aan zijn of haar onderzoek, uitmondend in een proefschrift.

Het stelsel heeft bijgedragen aan de werving en daarmee de toename van het aantal promovendi, maar tegelijkertijd is er sprake van aanzienlijke uitval (afhakende promovendi) en vertragingen in het traject.

De instroom in het stelsel ligt de laatste vijftien jaar rond circa 1.600-2.000 nieuwe aio's per jaar. Het aantal promoties (exclusief ‘buitenpromovendi’ die in eigen tijd promoveren) per jaar is gestegen en lag in 2002 op 2.534 (brancheverslag universiteiten 2002). Met name in de alfa- en gammadisciplines is het aantal promoties sterk toegenomen.

De rendementscijfers (het aantal promovendi dat daadwerkelijk promoveert als percentage van het aantal promovendi dat aan een promotietraject begint) levert een minder gunstig beeld op. Kijken we naar de cijfers van 1987 – 2001 (in 1986 ging het om een klein aantal promovendi en opvallend hoge rendementen), dan varieert het percentage promovendi dat binnen 4 jaar promoveert, tussen de 4% en 8%; binnen 5 jaar ligt het percentage tussen de 17% en 33%. Gemiddeld staakt circa 10% het traject. Hoeveel er uiteindelijk wel promoveren is moeilijk te zeggen, daar ook na meer dan 7 jaar veel promovendi nog te boek staan als “bezig met de promotie”; zo bleken in 2001 van de jaargang 1990 nog 19% als 'bezig' bekend te staan.

Opvallend is dat bij navraag in het onderzoek, zowel huidige promovendi als begeleiders aanzienlijk optimistischer zijn over de duur en afronding van de promotie. Cijfers over de rendementen lijken ook niet altijd betrouwbaar te zijn, maar geven wel een indicatie van de problemen.

Conclusies

De mogelijke factoren die van invloed zijn op vertraging en afhaken van promovendi zijn door de onderzoekers geclusterd in vier groepen: afbakening en voortraject, opleiding en begeleiding, contacten en netwerken, en een kleine groep 'andere factoren'. De belangrijkste uitkomsten worden hierna in het kort besproken.

Afbakening en voortraject

De afbakening van het onderzoeksonderwerp blijkt van invloed op het rendement. Te lang ‘zweven’ aan het begin werkt nadelig, maar anderzijds werkt een volledig uitgewerkte vraagstelling weer niet erg motiverend. Een middenweg werkt het beste.

In latere fasen van het onderzoek heeft een sterke wijziging van het onderwerp of de methode invloed op de vertraging.

Van de introductie van de zogenoemde Research Masters wordt een positief effect op de aansluiting op een promotietraject verwacht, maar over het algemeen ervaart de grote meerderheid van promovendi de aansluiting van het promotietraject op hun vooropleiding als voldoende.

Volgens de onderzochte groep talentvolle studenten van wie de wetenschappelijke staf graag had gezien dat zij aan een promotietraject waren begonnen en de groep talentvolle promovendi die hun promotietraject hebben afgebroken, kan de werving iets verbeterd worden. Volgens enkele 'gemiste kansen' werd er te weinig goede informatie in hun studietijd geboden over een promotietraject.

Opleiding en begeleiding

De onderzoekers geven aan dat de opleiding van promovendi sinds 1991 voor het grootste deel ondergebracht in de door de KNAW erkende onderzoekscholen, maar dat de concrete vormgeving van de opleidingscomponent van het promotietraject sterk uiteen loopt: “van een 'laissez faire' houding tot een sterk gestructureerd opleidingsprogramma”.

Uit het onderzoek komt naar voren dat opleiding (de hoeveelheid, de mate van structuur, wie de opleiding aanbiedt) nauwelijks van invloed is op vertraging en afhaken. Wel is de invloed van begeleiding groot; dit blijkt een centrale factor ter verklaring van het succes van de promotie.

Niet de precieze inrichting van de begeleiding is belangrijk, maar wel de mate waarin de begeleiding tegemoet komt aan de behoeften van de promovendus, de inhoudelijke en persoonlijke aansluiting en de ‘training on the job’.

Formele afspraken en vereisten over de opleiding en begeleiding (vastgesteld in een Opleidings- en Begeleidingsplan (OBP) ) zijn niet zo direct van invloed te invloed op het rendement, wel de waarborg rondom de begeleiding en voor het in de gaten houden van de voortgang. Dit gebeurt door bijvoorbeeld een promovendidecaan, aio-coördinator of directeur van Graduate Program, die regelmatig de vinger aan de pols houdt en ingrijpt bij problemen.

Van het wederzijds aanspreken van begeleiders op elkaars functioneren, gaat een positieve invloed uit.

Contacten

Collegiale contacten blijken voor promovendi van groot belang, zowel de meer formele (congressen, colloquia) als de informele. Een 'vereenzaamde' promovendus loopt meer kans op vertraging en afhaken.

Bij de informele contacten spelen vooral de contacten met medepromovendi een belangrijke rol. Deze contacten kunnen inspirerend werken en laag drempelig voor overleg. Ook externe contacten met het wetenschappelijk netwerk van het instituut, inclusief internationale contacten, kunnen een belangrijke inspiratiebron vormen. Opvallend is, aldus de onderzoekers, dat een aanzienlijk deel van de promovendi (meer dan 1/3) de mate waarin zij zich opgenomen voelen in het (internationaal) netwerk van het eigen onderzoeksinstituut onvoldoende vindt.

Andere factoren

De onderzoekers rekenen onder de andere factoren die van invloed zijn, de eigenschappen van de promovendus zelf, leefomstandigheden en eigenschappen van het promotietraject. Zo zijn er aanwijzingen dat een 'bepaald type' persoon vereist, dat promovendi met kinderen iets meer vertraging verwachten en de wijze van dataverzameling aanleiding kan zijn voor vertraging.

Vrijwel alle huidige promovendi hebben een aanstelling met onderwijstaken en zijn hier gemiddeld 9,5% van hun tijd mee bezig. Dit beperkt de beschikbare tijd voor het doen van onderzoek, maar er is geen negatief effect op vertraging gevonden.

Van grote invloed is wel de omvang van het onderzoek.

Financiële factoren kunnen invloed hebben op het rendement. Van een geldbonus voor het tijdig promoveren, zoals bij enkele faculteiten van de Universiteit van Amsterdam wordt gehanteerd, kan een stimulans uitgaan, maar alleen als de verwachte vertraging niet al te hoog is (hooguit enkele maanden). Problemen met betrekking tot de financiële situatie van promovendi, zoals in het buitenland wel voorkomt, spelen niet voor de Nederlandse promovendi.

Sterkste invloeden

De onderzoekers zijn nagegaan van welke factoren nu de grootste invloed op rendementen uitgaat.

De invloed van de begeleiding blijkt het sterkst, direct gevolgd door de contacten op lokaal niveau (introductie, contacten met wetenschappelijke staf) en met het wetenschappelijke netwerk.

De onderzoekers geven 'motivatie' (opgevat als volharding) als tussenliggende variabele; de begeleiding, en de contacten/prikkels/ondersteuning door collega’s dichtbij en ver weg zijn te zien als motiverende of demotiverende factoren. Op de achtergrond spelen daarbij de 'waarborgen' rond de begeleider, vooral in de vorm van iemand die de voortgang bewaakt en kan ingrijpen bij problemen met de begeleiding, een belangrijke rol.

Aanbevelingen

Uit het onderzoek zijn een aantal aanbevelingen afgeleid, zowel voor beleidsmakers bij onderzoeksinstituten, faculteiten en universiteiten als in wat algemenere zin:

1. Blijf zorgen voor een goede 'scouting' van talent en zorg voor goede voorlichting. Verbeter de aansluiting van het promotietraject op de vooropleiding; de Research Master-opleidingen bieden hiertoe een kans.

2. Zorg voor een vliegende start van het traject. Hierbij gaat het vooral om de helderheid van de probleemstelling/het onderzoeksvoorstel en de draagvlak bij promovendus en begeleiding; de middenweg vinden tussen “dichttimmeren” en “richtingloos”.

3. Blijf zorgen voor goede begeleiding en verbeter deze waar mogelijk. Vooral inhoudelijke en motivationele ondersteuning is relevant . Instituten/vakgroepen kunnen de kwaliteit van de begeleiding monitoren en ondersteunen aan de hand van een regelmatig overzicht van de stand van zaken van promotietrajecten door een ander dan de begeleider en het promotierendement en het oordeel van promovendi als input voor functioneringsgesprekken met begeleiders/promotoren te gebruiken.

4. Versterk de verbinding van de promovendus met de directe en indirecte werkomgeving waar mogelijk. Zorg voor voldoende 'motivatieprikkels'; intern (van collega-promovendi en andere wetenschappelijke staf) en extern (bijvoorbeeld via inspirerende congressen, buitenlandse verblijven). 5. Evalueer de promotietrajecten regelmatig. De VSNU pleit hier ook voor in hun notitie

Hora Est over het promotiestelsel. Neem hierin ook factoren als 'contacten met mede-promovendi' en het oordeel van promovendi over de opname in het internationale netwerk op.

6. Verbeter de verzameling van rendements- en vertragingsgegevens. Op die manier zijn vergelijkingen tussen instituten/faculteiten/universiteiten mogelijk en kan inzicht verkregen worden in eventuele trends in het promotierendement.

Bron:

Rendement verkend. Succes- en faalfactoren van promotietrajecten aan Nederlandse universiteiten

Jurriaan Berger, Jos de Jonge, Zoetermeer, augustus 2005

EIM Onderzoek voor Bedrijf & Beleid

http://www.minocw.nl/documenten/bhw-116-bhw116.pdf

Tevens interessant:

Positionpaper Hora est van de VSNU

In Hora Est! Vernieuwing in het Nederlandse promotiestelsel benadrukken de universiteiten

hun zorgen om het promotiestelsel en doen zij aanbevelingen ter verbetering. Een van de

voorstellen is het oprichten van graduate schools.

Te downloaden via: http://www.vsnu.nl/web/show/id=52170/langid=43

Voor kritische commentaar hierop van het Promovendi Netwerk Nederland (PNN): http://www.hetpnn.nl/  onder ‘nieuws’.

Rendement en duur van promoties in de Nederlandse onderzoekscholen.

Oost, H., & Sonneveld, H. (2004)

Druk: IVLOS/ASSR, Utrecht/Amsterdam.

http://www.minocw.nl/documenten/bhw-110-bhw110.pdf