Voorbeeld van WB/ME: toetsbeleidplan (Borging van Toetskwaliteit) voor WB en ME

Borging van toetskwaliteit bij WB en ME

Drs. E.M.Gommer, mei 2012 *

Inleiding – visie op toetsing

Aansluitend op haar onderwijsvisie (zie zelfevaluatierapport WB/ ME 2012) heeft de opleiding onderstaande visie op toetsing geformuleerd.

"De opleiding WB/ME heeft als doel om ingenieurs af te leveren die met de benen stevig op de grond ‘de wereld kunnen veranderen’ en daaraan leiding kunnen geven.. Met een wetenschappelijke inslag lossen zij problemen op door kennis vanuit verschillende inhoudelijke disciplines te integreren in een bruikbaar ontwerp. De opleiding sluit hierbij aan door PLE te implementeren als didactisch concept. In de projecten wordt van studenten gevraagd geïntegreerde toepassing van kennis en kunde uit verschillende vakgebieden. De toetsing sluit hierbij zeer nauw aan. In de projecttentamens wordt getoetst of studenten hetgeen ze hebben geleerd in verschillende vakken tot een geïntegreerd geheel kunnen toepassen bij het creëren van een nieuw ontwerp, zowel op individueel als op groepsniveau. Deze toepassing op een geheel nieuw en complex probleem vereist een vrij hoog cognitieniveau van studenten. Eenvoudig iets weten en kunnen reproduceren is daarvoor niet voldoende. Toetsen die alleen gericht zijn op het reproduceren van kennis (bijv. multiple choice tentamens) komen daardoor nauwelijks voor bij de opleiding, hooguit als deeltoets. Al vanaf het eerste jaar van de bachelor richt de toetsing zich met name op toepassing van inzicht en kennis voor het oplossen van voorgelegde problemen. In de loop van de bachelor (en zeker in de master) loopt dit niveau op naar analyse, ontwerp en kritische evaluatie."

Deze visie vormt de basis voor de wijze waarop toetsing binnen de opleiding wordt vormgegeven. In voorliggend document wordt beschreven hoe de kwaliteit van de toetsing bij de bacheloropleiding Werktuigbouwkunde en de Masteropleiding Mechanical Engineering wordt gewaarborgd.

Net zoals de kwaliteitsborging van het onderwijs (de vakken) in het algemeen met een PDCA (Plan Do Check Act) cyclus kan worden beschreven, kan dit ook worden gedaan voor de borging van de kwaliteit van toetsen binnen de opleiding.

Via de verschillende fasen in de Deming cyclus (Plan – Do – Check – Act) beschrijven we hoe het toetssysteem van de opleiding eruit ziet. Het borgingssysteem voor de bachelor eindopdracht, de masterstage en de masteropdracht worden hierbij apart besproken.

Description: http://www.passionned.nl/pdca-cyclus-plan-do-check-act-cyclus-inrichten-borgen.png

Bron fig.: Plan Do Chack Act (Passioned Group). https://www.pdcacyclus.nl/verbetermethoden/plan-do-check-act/

1.

Voorwaarden

1.1 Professionalisering van docenten t.a.v. toetsing

Elke beginnende docent heeft de verplichting om binnen 3 jaar de UTQ (University Teaching Qualification) te behalen. Toetsing en beoordeling is hierbinnen een belangrijk onderdeel. Voor de faculteit CTW geldt, dat ongeveer 50% van de docenten deze kwalificatie reeds behaald hebben of hiermee bezig zijn. Voor ervaren docenten (> 5 jaar onderwijservaring) wordt een speciale procedure opgezet waar toetsing en beoordeling ook een belangrijk aandachtspunt is.

Daarnaast is de bestaande kennis over het formuleren van leerdoelen en toetskwaliteit door middel van de georganiseerde instructiesessies t.b.v. de testplannen bij de docenten weer opgefrist.

De website van de examencommissie bevat een speciaal onderdeel voor docenten waar informatie en reglementen rondom toetsen en beoordelen gemakkelijk gevonden kan worden.

1.2 Professionalisering van examencommissieleden t.a.v. nieuwe wetgeving en toetskwaliteit

De meeste leden van de examencommissie zijn zelf docent in het WB of ME onderwijs en voldoen aan de docentprofessionalisering zoals hierboven beschreven. Expertise op het gebied van toetsing en beoordeling is toegevoegd door lidmaatschap van de faculteitsonderwijskundige.

Daarnaast is voor de examencommissie in het kader van de wijzigingen in de WHW en de nieuwe verantwoordelijkheden die deze met zich meebrengt een cursus gegeven waarin zij zich verder hebben verdiept en bekwaamd in toetskwaliteit en hun eigen rol in de borging hiervan.

1.3 Aanwijzing examinatoren

De examencommissie is verantwoordelijk voor de aanwijzing van examinatoren voor het WB / ME onderwijs en stelt hiertoe een lijst met examinatoren samen. In het algemeen is degene die eerstverantwoordelijke is voor het onderwijs ook eerstverantwoordelijk voor de beoordeling van de studieresultaten. Hierbij worden een aantal criteria gehanteerd die te vinden zijn in het regelement van de examencommissie (artikel 3, verlenen examenbevoegdheden).

2.

PLAN (voorbereiding en ontwikkeling van de toets)

2.1 Testplan per vak

Voor elk vak, in zowel het bachelor als in het master curriculum, is (door de docent van het vak) een testplan opgesteld, waarin de leerdoelen, de toetsmatrijs voor het vak en de beoordeling en cesuurbepaling worden beschreven. Alle testplannen zijn bekeken door de toetsdeskundige (note 1) en waar nodig in overleg met de docent aangepast of aangevuld.
De definitieve versies van de testplannen zijn vastgesteld op gezag van de examencommissie.

Dit testplan dient als de basis voor de ontwikkeling van de jaarlijkse toets en dient opnieuw door de docent te worden ingediend wanneer:

a.

een nieuwe verantwoordelijk docent voor het vak wordt aangesteld

b.

een herontwerp van het vak en / of de toetsing van het vak plaatsvindt

c.

de leerdoelen van het vak gewijzigd worden

d.

de examencommissie hierom vraagt (bijv. n.a.v. klachten over de toetsing, opvallende toetsresultaten of een slechte evaluatie)

2.2 Collegiale peer review

In het OER van de opleiding is opgenomen dat elke docent geacht wordt de voor dat jaar ontwikkelde toets en antwoordmodel voor te leggen aan een collega-docent of AIO die inhoudelijk op de hoogte is van het vak. Dit besluit is gemandateerd door de examencommissie (artikel 5.1). De collega-docent bekijkt de toets op:

-

Inhoud: zijn de vragen en verwachte antwoorden inhoudelijk juist?

-

Transparantie: zijn de vragen helder en eenduidig geformuleerd?

-

Validiteit: komen de leerdoelen evenredig en op het juiste niveau aan bod?

Op deze collegiale peer review vindt geen formele controle plaats. De reden hiervoor is dat dit juist gedrag uitlokt waarbij docenten gaan ‘afvinken’ bij elkaar om aan de formele, bureaucratische plicht voldaan te hebben. Dit levert een aanzienlijke hoeveelheid administratie op, maar geeft geenszins de zekerheid dat onderlinge review en feedback op de toetsing en beoordeling ook daadwerkelijk plaatsvindt. De cultuur bij de opleiding is zodanig, dat docenten dit nu wél doen uit het besef dat dit de kwaliteit van hun onderwijs ten goede komt.

Bij signalen dat er problemen zijn met een toets zal de examencommissie hier wel naar vragen.

3.

DO (uitvoering van de toets)

3.1 Informatievoorziening over toetsvormen en beoordeling (transparantie)

Via Osiris (student informatie systeem) en Blackboard (elektronische leeromgeving) wordt aan de studenten informatie verschaft over de te bereiken leerdoelen voor het vak, de gebruikte toetsvorm(en), de beoordeling van de toetsen en de wijze waarop het uiteindelijke eindcijfer tot stand komt.

Daarnaast wordt van de docent verwacht (artikel 5.4 van het examencommissie reglement) dat deze proeftentamens of proefopgaven (note 2) beschikbaar stelt aan studenten, die representatief zijn voor het soort vragen dat in de daadwerkelijke toets aan bod komt. Dit maakt de verwachtingen naar de student helder en geeft bovendien gelegenheid tot oefenen. Tenslotte is het (schriftelijk)tentamen voorzien van toetsinstructies waarbij tenminste de beschikbare tijd en het aantal te behalen punten per opgave vermeld staan (zie examencommissie regelement: artikel 6, schriftelijke en mondelinge tentamens).

3.2 Informatie m.b.t. projectbeoordelingen

Omdat de projecten beschikken over gecompliceerdere toetsvormen, veelal bestaand uit verschillende componenten als een presentatie en mondelinge ondervraging, rapportage en eindproduct, wordt hiervoor de toetsing en beoordeling uitgebreider beschreven in de projectbundel (studiehandleiding) van elk project. Hierbij worden ook de beoordelingscriteria voor de verschillende onderdelen vermeld en wordt duidelijk aangegeven voor welke onderdelen de student een individuele of een groepsbeoordeling zal krijgen. Tevens staat in het OER van de opleiding uitgebreid beschreven hoe op basis van de twee deelcijfers het eindcijfer tot stand komt en waar een beslissing tot zakken / slagen / aanvulling op gebaseerd wordt (artikel 3, punt 4).

3.3 Afname van toetsen

Regels voor afname van toetsen zijn te vinden in het reglement van de examencommissie (artikel 6 en 9).

3.4 Beoordeling van studentwerk

Beoordeling van schriftelijke tentamens vindt plaats op basis van een antwoordmodel dat onderdeel uitmaakt van aan het testplan (zie par. 2.1) en dat vooraf bekeken is door een collega (zie par. 2.2). Bij andere toetsvormen wordt op basis van beoordelingscriteria, afgeleid van de leerdoelen voor het vak, een scoringsmodel opgesteld en gebruikt. De vaststelling van het eindcijfer staat ook in het testplan beschreven. Cesuurbepaling (zak-/slaagbeslissing) geschiedt conform de regelementen in het OER (artikel 12).

3.5 Beoordeling van projecten

De toetsing van een project bestaat meestal (tenminste) uit de volgende onderdelen:

a.

Projectrapportage (schriftelijk verslag)

b.

Projecttentamen (mondelinge ondervraging)

Hierbij is a. vaak een groepsproduct waarvoor de student ook een groepscijfer ontvangt. Onderdeel b. heeft meestal de vorm van een presentatie plus mondelinge ondervraging. Deze wordt weliswaar vaak uitgevoerd in groepen (per projectgroep), maar de student ontvangt een individueel cijfer voor zijn / haar bijdrage en begrip van de leerstof.

In het testplan van het project (zie sectie 2.1) is aangegeven hoe de doelen van het project terugkomen in de verschillende toetsvormen en hoe deze hierin meewegen. In een projectbeoordelingsformulier wordt naar de student helder gemaakt hoe de verschillende onderdelen zijn beoordeeld en hoe het eindcijfer tot stand kwam uit de verschillende deelcijfers.

Beoordeling van een projectrapportage vindt plaats op basis van beoordelingscriteria die zijn afgeleid van de projectdoelen.

Bij een projecttentamen wordt op basis van de beoordelingscriteria een scoringsformulier gemaakt voor globale scoring van de individuele bijdragen (presentatie, antwoorden en/of vragen) van de student. Zie bijvoorbeeld het scoringsformulier voor project A. Na afloop van een projecttentamen gaan de beoordelaars bij elkaar zitten om de scoring en bijgevoegde opmerkingen te vergelijken en komen in overleg tot een eindcijfer per student voor dit onderdeel.

3.6

Beoordelaars bij een projecttentamen

Bij een projecttentamen zijn tenminste twee beoordelaars aanwezig, te weten de tutor die de projectgroep heeft begeleid en een beoordelaar die niet betrokken was bij het proces, maar alleen de eindresultaten ziet. De reden voor deze combinatie is, dat de tutor meer zicht heeft op het proces binnen de groep en de bijdrage van individuele projectgroepleden hieraan. De ‘externe beoordelaar’ heeft een frissere en daardoor objectievere blik op het zichtbare eindresultaat.

Overige uitgangspunten die bij projecttentamens worden gehanteerd, zijn:

-

Beide beoordelaars hebben zoveel mogelijk een andere inhoudelijke achtergrond

-

’De samenstelling van de duo’s die een projecttentamen beoordelen wordt bij elk projecttentamen gewijzigd

-

Voorafgaand aan het projecttentamen komen de projectcoördinator en de beoordelaars bij elkaar en nemen de procedure voor project tentamen met hen door

-

Een nieuwe beoordelaar kijkt minimaal één keer mee bij een projecttentamen voordat hij/zij zelf een groep beoordeelt.

-

Een onervaren beoordelaar wordt altijd gekoppeld aan een ervaren beoordelaar

4.

CHECK (evaluatie en analyse van de toets)

4.1 Analyse van toetsresultaten

Na afloop van de toets analyseert de docent zelf op eenvoudige wijze de toetsresultaten (note 3). Dit houdt in dat de docent de resultaten bekijkt op basis van onderstaande vragen:

a.

Is de toets als geheel opvallend goed of slecht gemaakt? (richtwaarde is een slagingspercentage tussen 60% en 80%)

b.

Is er een opvallende verdeling van scores te zien? (globale benadering normaalverdeling)

c.

Zijn bepaalde onderdelen of vragen uit de toets opvallend goed of slecht gemaakt?

d.

Zijn er andere dingen die opvallen aan de resultaten?

e.

Geven bovenstaande punten aanleiding tot bijstelling van de beoordeling en/of aanpassing van de toets?

Bij bijstelling van de beoordeling legt de docent dit voor aan de examencommissie voor instemming. Verbeterpunten voor de toetsing noteert de docent zelf voor een volgende uitvoering van het vak.

4.2 Evaluatie van toetsing en beoordeling

Via de standaard vakevaluaties wordt door studenten ook de kwaliteit van toetsing geëvalueerd. Hierin wordt gevraagd naar:

a.

Duidelijkheid van tentameneisen (transparantie)

b.

Aansluiting van het tentamen op vak (validiteit)

c.

Helderheid tentamenvragen (transparantie)

d.

Voldoende representatieve oefenopgaven (transparantie)

Evaluatie van een vak (en bijbehorende toetsing) vindt één keer per 3 jaar plaats of wanneer een vak vernieuwd is / er problemen zijn geconstateerd bij een vak. Projecten worden elk jaar geëvalueerd.

Bij slechte evaluatie van de toetsing binnen een vak wordt dit eerst besproken met de opleidingscoördinator en vervolgens aan de docent gemeld, die de mogelijkheid krijgt om hierop te reageren. De resultaten plus reactie worden in de Opleidingscommissie besproken. Indien zij van mening zijn dat hiertoe aanleiding is, zal aan de docent gevraagd worden om een verbeteractie uit te voeren. De opleidingsdirecteur ziet er op toe dat dit gebeurt. In een volgende evaluatieronde wordt nagegaan in hoeverre dit effect heeft gehad.

Resultaten en acties t.a.v. toetsing en beoordeling worden teruggekoppeld naar de examencommissie.

4.3 Overige kwaliteitscontrole

Naast de controle op toetskwaliteit door de docent zelf en via de vakevaluaties, heeft de student ook altijd de mogelijkheid om zelf naar de docent te gaan wanneer hij of zij het gevoel heeft dat er iets niet klopt met de toetsing. Door de kleinschaligheid en de persoonlijke benadering binnen de WB/ME opleiding is de drempel om dit te doen voor de student relatief laag.

Wanneer de student dit niet durft of er met de betreffende docent niet uitkomt, heeft de student de mogelijkheid om zijn / haar zorg of klacht via de examencommissie in te dienen. Deze doet vervolgens uitspraak.

De website van de examencommissie is goed vindbaar en bevat heldere informatie over de mogelijkheden die een student heeft.

5.

ACT (eventuele verbetering of aanpassing van de toets)

5.1 Formulering en terugkoppeling van verbeteracties

Naar aanleiding van de resultaten van de evaluaties zoals beschreven in sectie 4 (‘ACT’) is de docent degene die bepaalt op welke wijze hij of zij de benodigde verbetering in t.a.v. de toetsing implementeert. De door de docent geplande verbeteracties worden teruggekoppeld naar de opleidingscommissie.

Bij grotere wijzigingen, bijvoorbeeld in de leerdoelen, de toetsvorm of de beoordeling van het vak, wordt daarnaast een aangepast testplan ingediend bij de examencommissie.

5.2 Advisering en ondersteuning

Wanneer de docent advies of ondersteuning wenst bij verbetering of optimalisering van de toetsing van zijn / haar onderwijs, is hiervoor een toetsdeskundige beschikbaar. Daarnaast staat het de docent uiteraard ook vrij om de opleidingsdirecteur of –coördinator te benaderen voor advies. Ook hiervoor geldt dat de cultuur binnen de opleiding zodanig is, dat de drempel om dit te doen relatief laag is.

Wanneer de docent een formele training of cursus op het gebied van toetsen en beoordelen wil volgen, is hiervoor een mogelijkheid beschikbaar bij de Onderwijskundige Dienst van de UT. De faculteit heeft een sterke onderwijscultuur, waarbij professionalisering van docenten gestimuleerd wordt.

6.

Borging kwaliteit beoordeling bachelorexamen

Het bachelorexamen van de opleiding Werktuigbouwkunde bestaat uit twee onderdelen; Project F (een project op het gebied van Mechatronica) en ITO (Inleiding Technologisch Onderzoek).

6.1 Inleiding Technologisch Onderzoek

Het vak ITO kent een ‘go / no go moment’: er worden twee tussentoetsen afgenomen, waarin de kennis van de aangeboden theorie getoetst wordt. Het gemiddelde van deze twee toetsen moet voldoende zijn om verder te mogen gaan met het vak ITO. Het tweede deel bestaat uit het schrijven van een Engelstalige onderzoekspaper en een presentatie waarop de student beoordeeld wordt.

6.2 Project F (mechatronica)

Omdat project F onderdeel is van het bachelorexamen, is de beoordeling van het project op enkele punten uitgebreid t.o.v. de ‘gewone’ projecten:

-

Bij het projecttentamen is niet de projectgroep als geheel aanwezig, maar worden de projectgroepen opgesplitst en gemengd (groep van 8 studenten met steeds 1 persoon per projectgroep) zodat de student echt individueel het product van de groep moet toelichten en kunnen verdedigen en hij / zij niet kan terugvallen op kennis en inzicht van mede-projectgroepleden

-

De examencommissie bestaat niet uit 2, maar uit 3 personen, waaronder één hoogleraar, één tutor en één extern lid (niet betrokken bij het project, maar wel inhoudsdeskundig).

-

Naast de gebruikelijke producten die van een projectgroep worden gevraagd, worden voor dit project aanvullende producten opgeleverd voor zowel het groeps- als het individuele cijfer:

 

Beoordeling groepswerk

Individuele beoordeling

Standaard

Projectverslag

Presentatie en ondervraging

Extra

Demonstratie prototype

Het stellen van kritische vragen aan andere studenten (o.b.v. gelezen samenvattingen)

-

Na afloop van het projecttentamen overlegt de commissie op basis van de scoring op presentatie, ondervraging en kritische vragen wat het eindcijfer voor de individuele student moet zijn.

7.

Borging kwaliteit beoordeling master thesis en stage

7.1 Master thesis

De beoordeling van de master thesis bestaat uit vijf onderdelen:

-

Rapportage / verslag

-

Presentatie (openbaar, 30 – 40 min, gevolgd door beantwoording van vragen vanuit het publiek)

-

Mondelinge verdediging (niet openbaar, 60 min, examen waarbij de afstudeercommissie met de kandidaat dieper op de materie ingaat)

-

Inhoud (kwaliteit van onderzoek of ontwerp)

-

Werkproces gedurende het master project (zelfstandigheid, communicatie skills, etc.)

Voor de vaststelling van het eindcijfer (dat een gewogen gemiddelde is van de 5 deelcijfers) wordt een ‘Examenkaart’ gehanteerd die moet worden ingevuld door de voorzitter van de afstudeercommissie in overleg met de andere leden. De afstudeercommissie bestaat uit tenminste drie (note 4) personen, waarvan één extern lid (van buiten de vakgroep waarbij de student afstudeert). De werkwijze hierbij is dat elk lid van de afstudeercommissie afzonderlijk cijfers toekent per onderdeel. Daarna worden de cijfers vergeleken en volgt een discussie om tot een cijfer voor het desbetreffende onderdeel te komen.

Na het vast stellen van de cijfers komt de kandidaat binnen en ontvangt alle 5 deelcijfers, aangevuld met een mondelinge motivatie. De schriftelijke motivatie van de deelcijfers wordt opgeslagen in DECOS als archiefmateriaal (voor het geval later de totstandkoming van een eindcijfer nog eens verantwoord moet worden, bijvoorbeeld tijdens een onderwijsvisitatie).

Ter aanscherping van de beoordeling is in navolging van de opleiding Civiele Techniek een beoordelingsprotocol opgesteld voor de beoordeling van master theses. Dit protocol geeft voor elk van de vijf deelaspecten een lijst met uitgewerkte criteria, waarop het deelcijfer voor dit aspect wordt gebaseerd (zie bijlage 1). Dit beoordelingsprotocol wordt door de examencommissie geadviseerd aan alle beoordelingscommissies.

7.2 Stage

Vóór het afstuderen is in het curriculum van de master een stage verroosterd met als doel de student ervaring te laten opdoen als junior professional in het bedrijfsleven of bij een onderzoeksinstelling. Een deel van de studenten doet hierbij internationale ervaring op.

De beoordeling van de stage is gebaseerd op drie onderdelen:

a.

Rapportage van bevindingen
Voor de beoordeling van het rapport zijn criteria opgesteld die zijn afgeleid van de leerdoelen van de stage-opdracht.

b.

Een individueel gesprek met de interne begeleider
Tijdens het gesprek wordt dieper ingegaan op onduidelijkheden of twijfelpunten n.a.v. het verslag. Hierbij kan tevens voorkomen worden dat de schriftelijke communicatievaardigheden en Engelse taalvaardigheid een te grote weging krijgen in het eindoordeel.

c.

Beoordeling van de externe stagebegeleider
Op basis van een vijfpuntsschaal wordt de externe begeleider gevraagd om een oordeel te geven over de kwaliteit van de bijdrage die de afstudeerder heeft geleverd. Aan de orde komen o.a. zelfwerkzaamheid en inhoudelijke diepgang.

Omdat gemerkt werd dat met name de internationale begeleiders de neiging hebben om de vragenlijst zo positief mogelijk in te vullen (wat weinig informatie geeft over de werkelijke kwaliteit van het werk van de student) is besloten om met ingang van studiejaar 2011-2012 een aantal open vragen toe te voegen die een meer objectieve reactie van de begeleider uitlokken:

-

Wat waren de sterke punten van deze student?

-

Welke verbeterpunten wilt u deze student meegeven?

-

Zou u overwegen een student als deze in dienst te nemen? En zo ja, voor welke functie?

-

Hebt u bepaalde kennis of vaardigheden gemist bij deze student? Zo ja, welke?

Het oordeel van de externe begeleider wordt hierbij meegewogen als afronding voor het eindcijfer.

=====================================================================================

* Dit document is opgesteld in samenwerking met de examencommissie WB / ME, de opleidingsdirecteur en de bachelor coördinator en is door alle betrokken partijen aangenomen als toetsbeleid document voor de bachelor opleiding WB en de masteropleiding ME.


(1) Hiermee wordt de faculteitsonderwijskundige bedoeld die tevens lid is van de examencommissie. Deze beschikt over de onderwijskundige opleidingsachtergrond en expertise m.b.t toetsing en toetskwaliteit.


(2) En antwoorden / uitwerkingen met bijbehorende normering.

(3) We gaan hierbij uit van de visie dat de docent een professional is die vanuit zijn / haar inhoudelijke en onderwijskundige expertise uitstekend in staat is een goede analyse te maken van de resultaten die hij / zij terug krijgt van studenten.

(4) Meestal bestaat de afstudeercommissie voor een master thesis uit 4 tot 5 personen.

************************************************************************************************************************

Bijlage 1. Assessment protocol Master theses ME

1) With respect to content; quality of research / design

·

insight in subject matter

·

depth (detailed elaborations, use of literature)

·

insight in coherence between different parts of the research project

·

reasoning / argumentation of conclusions (are research questions clearly stated and answered?)

·

relevance (scientifically, but also applicability in practice) (being able to put research into its context)

·

creativity / inventiveness: extent to which the student independently introduces new concepts

·

extent to which the research contributes to new knowledge / contributes to a concrete product, design or model

·

learning (quality and quantity)

2) Report

·

composition, structure

·

consistency

·

clarity/sharpness of formulations

·

readability

·

editing, lay out

·

images and tables (usefulness, added value)

·

references to literature

3) Working process during master thesis project

·

attitude

·

independence

·

commitment/enthusiasm

·

cooperation

·

communication skills

·

incorporation of feedback

·

functioning within the organisation where the project is carried out

·

student’s attitude during progress meetings (active / passive)

·

the extent to which the original research proposal has been met and reasons for alterations (keeping up with a work planning, follow up on appointments made)

·

time needed to finish master thesis

4) Oral Presentation and defence

·

content (what is included / not included in the presentation; is the message coming across?)

·

structure / outline presentation

·

care of details / neatness

·

captivating way of presenting (verbal capabilities, posture)

5) Defence

·

insight in subject matter and its relation with adjacent subjects

·

answering questions / discussion

·

ability to interpret/understand/analyse questions

Profiles for final grading

5. insufficient
The research and / or report are insufficient and the student was strongly directed by his or her supervisors. Weak points can clearly be pointed out. The student did not show an academic attitude. On average, the student scores ‘insufficient’ on all aspects for assessment.

6: sufficient

With respect to content, the research was conducted sufficiently. The report is mediocre. Weak points can clearly be pointed out, but are compensated by aspects on which the student performs better. The student has shown little input of his own and was strongly directed by his or her supervisors. On average, the student scores ‘sufficient’ on all aspects for assessment.

7: amply sufficient

With respect to content, a solid piece of research was delivered. The report is carefully edited. Either the research process or the mastery of subject matter leaves room for improvement.

The supervisors clearly had a steering influence on the final product. The student scores at least ‘sufficient’ on all aspects for assessment and ‘good’ on some aspects.

8: good

With respect to content, the research was set up in a solid way and was carried out accurately. The report is carefully edited regarding language, structure as well as lay out with minimal input of the supervisors. The student has worked independently and was able to put forward his or her own initiatives. Guidance given by the supervisors was minimal. On average, the student scores ‘good’ on all aspects for assessment.

9: very good

The research is innovative and can be converted to an article for a renowned (scientific) magazine or a conference proceedings without putting in too much effort. With respect to content, the research is very solid with some points that can clearly be pointed out as very good. The report is carefully edited and shows that the student disposes of very good writing skills. The student’s own input and independence are large. The student clearly stands above subject matter and is able to defend his or her statements in discussions well. The student scores at least ‘good’ on all aspects for assessment and ‘very good’ on some aspects.

10: excellent

The student functions at the level of an expert in the field. With respect to content, the research is excellent. The student is very capable of conducting research independently. The report and the presentation show that the student disposes of excellent communication skills (written and oral). The student scores at least ‘very good’ on all aspects for assessment and ‘excellent’ on some aspects.