Toetsen met gesloten vragen

(Door Hilde ter Horst (Zoëzi) en Riet Martens)

Er bestaan verschillende typen gesloten vragen; de meest voorkomende zijn de multiple-choice vragen en de juist/onjuist vragen. Voorbeelden vind je o.a. in de handleiding van het Cito.

Wij gaan hier verder in op:

·

Voordelen van gesloten vragen

·

Nadelen van gesloten vragen

·

De constructie van de toets als geheel

·

Constructie van meerkeuzevragen

·

Controle van de toetsvragen

·

Toetssleutel en bewaarplicht schriftelijk werk

Voordelen van gesloten vragen

-

het corrigeren kost weinig tijd

-

beoordeling is objectief: er zullen geen verschillen optreden tussen beoordelaars; ook zal één beoordelaar alle studenten gelijk beoordelen

-

het speelt geen rol of studenten goed of slecht kunnen formuleren

-

er is veel kennis te vragen in korte tijd

-

ze zijn goed te gebruiken voor statistische berekeningen achteraf (moeilijkheidsgraad, betrouwbaarheid).

Nadelen van gesloten vragen

-

niet alle (leer)doelen kunnen met gesloten vragen getoetst worden.

-

er wordt een groot beroep gedaan op de leesvaardigheid van studenten (voor bepaalde studenten kan dit een probleem vormen).

-

naarmate het aantal antwoordalternatieven kleiner is, is de kans groter dat het goede antwoord door raden wordt gekozen

-

de constructie van goede vragen is moeilijk en tijdrovend.

De constructie van de toets als geheel

Een toets is meer dan een verzameling vragen. De toets als geheel zal inhoudsvalide moeten zijn. Om dit te bereiken is het in ieder geval noodzakelijk dat de leerdoelen evenwichtig in de toets aan de orde komen. Wanneer bijvoorbeeld ‘het verkrijgen van inzicht in ….’een belangrijk doel is, dan is een toets die slechts bestaat uit vragen die een beroep doen op kennisreproductie, beslist niet representatief.

Het belangrijkste hulpmiddel om een representatieve toets te krijgen is het maken van een specificatietabel (ook wel toetsmatrijs). Hiermee verdeel je de toetsvragen over de belangrijkste onderwerpen en over het gewenste niveau (kennis, inzicht, vaardigheden). Deze specificatietabel is leidraad voor en een van de inspiratiebronnen bij het ontwikkelen van de vragen.

Het aantal vragen en opdrachten moet groot genoeg zijn om toevalstreffers uit te sluiten (betrouwbaarheid). Als richtlijn kun je nemen dat een gesloten toets bestaande uit vierkeuze vragen minimaal veertig vragen moet bevatten (dan is een acceptabele betrouwbaarheid (>0,80) te behalen). Indien vragen drie alternatieven bevatten, zijn minimaal zestig vragen vereist; een toets met tweekeuze vragen dient minimaal tachtig vragen te bevatten. Dit is een algemene richtlijn, want als een toets gaat over 1500 bladzijden; zullen veertig vierkeuze vragen doorgaans geen goede afspiegeling zijn van de totale leerstof. In de praktijk wordt het aantal op te nemen vragen veelal bepaald door de beschikbare toetstijd.

Naarmate het aantal antwoord alternatieven bij een vraag groter, wordt de raadkans kleiner (en wordt over het algemeen de kennis beter in beeld gebracht). Het is echter niet mogelijk om een oneindig aantal plausibele antwoordalternatieven te bedenken. En ander nadeel van veel alternatieven is dat de leestijd evenredig toeneemt (en je dus minder vragen kunt stellen). Aanbeveling verdient meerkeuzevragen uit drie alternatieven te laten bestaan.

Constructie van meerkeuzevragen

Bij de constructie van een meerkeuzevraag kun je het beste de onderstaande volgorde hanteren:

1.

Formuleer eerst de stam. De stam bestaat uit een heldere vraag of probleemstelling en geeft de context van de vraag.

2.

Formuleer daarna de sleutel. Dit is het goede antwoordalternatief.

3.

Formuleer tenslotte de afleiders. Dit zijn de foute antwoordalternatieven.

Let bij het formuleren van een vraag op de volgende aspecten:

-

Formuleer de stam bij voorkeur positief, en anders accentueer de NEGATIEVE vraagstelling.

-

Formuleer alleen plausibele afleiders waarvan u verwacht dat studenten (die de stof niet beheersen) die gaan kiezen.

-

Formuleer de antwoordalternatieven in dezelfde stijl, zodat niet de formulering leidt tot goede antwoord

-

Zorg dat alternatieven elkaar niet overlappen.

-

Maak verschillen tussen afleiders niet te groot.

Voorbeelden van vragen, do’s en dont’s en veel gemaakte fouten vind je in de handleiding van het Cito .

Controle van de toetsvragen

Hoe zorgvuldig de constructie van een vraag ook heeft plaatsgevonden, de ervaring leert dat een vraag vaak nog vormtechnisch en/of inhoudelijk kan worden verbeterd. Laat indien mogelijk voor de toetsafname bij studenten, de toets door een collega of vakgenoot maken. Wanneer er geen eensgezindheid bestaat over het juiste alternatief is er alle reden om over de vraag van gedachten te wisselen. Hiervoor kun je de checklist voor het construeren van gesloten vragen gebruiken.

Gebruik deze checklist zelf als je de toets niet door een collega hebt kunnen laten controleren.

Toetssleutel en bewaarplicht schriftelijk werk

Als alle vragen zijn gecontroleerd maakt je de toetssleutel: dat zijn de goede antwoorden en het aantal te behalen punten per vraag.

PAS OP: Een student kan gedurende een termijn van twee jaar ter voorbereiding van een nieuwe tentamenpoging zijn eigen werk inzien en ook “ kennis nemen van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden” (OER art. 12.5). Je moet dus zowel de gemaakte tentamens als de toetssleutel twee jaar bewaren. Eventueel kun je de toetssleutel onzichtbaar voor studenten op Blackboard zetten.

Bronnen:

- Citogroep: Toetsen met gesloten vragen. http://195.169.48.3/html/literatuur/geslotenvragen.pdf

- Berkel, H. & Bax. A., Toetsen met gesloten vragen. In Berkel, H. & Bax. A (red), Toetsen in het hoger onderwijs. Houten: Bohn Stafleu van Lochem, 2006.

## ga naar het overzicht van job-aids