Opleidingsaccreditaties bij Geesteswetenschappen: wat kunnen we leren van de onvoldoendes?

26 bachelor- en masteropleidingen in de Geesteswetenschappen van zes verschillende universiteiten, hebben bij de accreditatieronde van de NVAO een onvoldoende gekregen. Maar ook bij de opleidingen met een voldoende of een “goed”, zijn kritische opmerkingen geplaatst. Kennisnemen van de gesignaleerde probleempunten kan helpen om ze te voorkomen.

Opleidingen met een onvoldoende

In totaal ontvingen 13% van de opleidingen in de Geesteswetenschappen een onvoldoende. De meeste onvoldoendes zijn gevallen bij Geschiedenis, Kunst en Cultuur en Communicatie- en Informatiewetenschappen/Mediastudies.
De opleidingen met een onvoldoende, krijgen op basis van een goedgekeurd plan van aanpak, een herstelperiode van twee jaar.
Als belangrijke oorzaak voor de onvoldoendes noemt de NVAO de beweging en onrust bij Geesteswetenschappen. Teruglopende aantallen studenten in kleinere opleidingen leidden tot verbreding of samenvoeging van opleidingen in nieuwe multidisciplinaire opleidingen.
Het herlabelen van kleine masteropleidingen tot bredere, meersporige programma’s, zorgde niet altijd tot samenhangende masterprogramma’s; oude programma’s lijken zelfstandig te blijven opereren.
Als tweede belangrijke oorzaak ziet de NVAO de toenemende druk en focus op prestaties in onderzoek. Vooral bij de grootschalige opleidingen leidt dat tot hoge werkdruk en minder inzet van menskracht voor onderwijs of de begeleiding van afstuderende studenten.

Geconstateerde problemen bij opleidingen met een onvoldoende

Academisch eindniveau en opbouw van het programma
Bij vrijwel alle onvoldoendes speelde de kwaliteit van de eindwerken een doorslaggevende rol. De kritiek betrof de cesuur tussen voldoende en onvoldoende of de te hoge beoordelingen.
Ongeacht de aard en omvang van het bacheloreindwerk, dient naar de mening van de NVAO ieder werkstuk van voldoende academisch niveau te getuigen.
Academische vaardigheden zoals het zelfstandig doen van onderzoek en het juist hanteren van onderzoeksmethoden worden wel verondersteld, echter niet door alle studenten beheerst. Als oorzaak hiervoor ziet de NVAO het ontbreken van een goede opbouw van het programma en het niet op orde zijn van de leerlijnen voor het verwerven van de vereiste kennis en vaardigheden.
NB. De NVAO acht het van belang dat bij de beoordeling van het gerealiseerd eindniveau ook gekeken wordt naar het succes van studenten in vervolgopleidingen of in het beroepenveld. dit wordt door de commissies ook gedaan.

Examencommissies en toetsbeleid
In meerdere opleidingen hadden de examencommissies nog onvoldoende hun nieuwe taken en verantwoordelijkheden op het gebied van de bewaking van de kwaliteit van toetsing en de borging van het eindniveau opgepakt. Examencommissie waren in een aantal gevallen nog maar net begonnen zich bezig te houden met toetsing en toetsbeleid was hier en daar nog in ontwikkeling.

Profilering brede opleidingen
In een aantal gevallen is er sprake van nieuwe opleidingen met een breed opgezet programma. Deze programma’s missen uitdaging en samenhang en een duidelijk profiel, ook richting het latere beroepenveld. Door het brede aanbod en vrijblijvendheid en onvoldoende begeleiding, leren niet alle studenten de vereiste kennis en academische vaardigheden.

Studielast en rendement
Met name, maar niet aleen, bij Taal- en letterkunde mogen de programma’s uitdagender en intensiever, met meer contacturen en aandacht voor wetenschapsfilosofie en internationalisering. De lage rendementen en hoge uitval stemmen zorgelijk.

Verschraling aanbod kleine opleidingen
De kleine opleidingen worden als kwetsbaar beschouwd doordat de interactie binnen de studentengroep beperkt is, de levensvatbaarheid ongewis is en het aantal academische ‘boegbeelden’ (hoogleraren) afneemt.

Didactisch concept en staf
Bij een hoge staf-student ratio blijkt kleinschalig onderwijs zoals wordt geambieerd, in de praktijk niet haalbaar. Onderwijsambities worden daardoor niet waargemaakt, de werkdruk voor de staf is hoog en tijd voor adequate begeleiding van studenten ontbreekt.
De kwaliteit van docenten wordt over het algemeen als goed beschouwd. Wel blijft het aantal docenten met een BKO ver achter bij de streefcijfers.

De punten waarop de goede opleidingen zich onderscheiden

De met een “goed” beoordeelde opleidingen onderscheiden zich o.a. door:

-

een duidelijke en onderscheidende profilering, aansluitend bij sterktes in het onderzoek;

-

een goed doordacht programma met heldere en degelijke leerlijnen voor vakinhoud en de verwerving van academische en onderzoeksvaardigheden;

-

de kwaliteit van de staf, die goed aansluit bij de disciplines die centraal staan;

-

goede begeleiding van studenten;

-

de aanwezigheid van sterke onderzoekscentra of bijzondere faciliteiten als gespecialiseerde bibliotheken;

-

het hoge eindniveau dat studenten behalen, tot uiting komend in eindwerkstukken;

-

adequate wijze van toetsing en beoordeling.

Ook waarschuwingen bij voldoende en goed

Ook bij de “voldoendes” en “goed” zijn door de NVAO aandachtspunten geconstateerd die in een later stadium tot problemen of kwaliteitsverlies kunnen leiden. Belangrijke aandachtspunten vormden de aandacht voor de kwaliteit van toetsing, de bewaking van het eindniveau en het functioneren van de examencommissies.
Vooral het laatste punt vormde ook een aandachtspunt bij opleidingen met een “goed”.

Bronnen:

- NVAO Achtergrondinformatie beoordeling Geesteswetenschappen 2014

- artikel op de NVAO-site: Veel onvoldoendes voor opleidingen Geesteswetenschappen