Externen in de examencommissies hoger onderwijs – voordelen en varianten

In de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap (Kwaliteit in verscheidenheid, 2011) werd het voornemen geuit om de deelname van externen in de examencommissie in het hoger onderwijs verplicht te stellen. Ondertussen is deze verplichting wettelijk vastgesteld.

applause,business,business meetings,businesses,businesspeople,celebrations,cheering,clapping,conference rooms,gestures,groups,joy,jumping,leaping,meetings,men,office workers,offices,persons,Photographs,pointing,successes,women,workplacesIn opdracht van het ministerie van OCW heeft ResearchNed een verkenning uitgevoerd naar de mogelijke praktische vormgeving van een verplichte deelname van externe leden in de examencommissie. Bestaande voorbeelden zijn hiervoor als uitgangspunt genomen.

Toegevoegde waarde
Uit de verkenning komt naar voren dat examencommissies die ervaring hebben met een extern lid, hier ook duidelijk de voordelen van zien. Veelal was er voor deze commissies een aanleiding om te kiezen voor een extern lid, zoals: behoefte aan inbreng vanuit het werkveld, behoefte aan externe validering of behoefte aan specifieke kennis.

De toegevoegde waarde komt vooral voort uit:

·

inbreng kennis (met name toetskennis, juridische kennis, werkveld);

·

een frisse, kritische blik en daardoor bijdrage aan een meer zakelijke/professionele/open houding in de commissie zelf en uiteindelijk aan de kwaliteit van de commissie;

·

grotere standvastigheid en onafhankelijkheid en meer gezag/legitimiteit van de examencommissie ten opzichte van zowel bestuur, management als docenten.

Commissies die nog niet beschikken over een extern lid, zien hier in minder mate de meerwaarde van in. Vaak hebben deze commissies wel gelijksoortige behoeften, maar zijn andere oplossingen gevonden om hieraan tegemoet te komen.

Verschillende verschijningsvormen

Bij de invulling in de huidige praktijk valt de grote verscheidenheid op. Dit verschil is er qua:

-

tijdsinvestering voor een extern lid (van 8 uur per jaar op afroep tot voorzitterschap voor meerdere uren/dagen per week);

-

taken (Vaak wordt een extern lid selectief ingezet, vooral voor de algemene, beleidsmatige zaken. Een extern lid wordt wel op de hoogte gehouden maar hoeft dan niet bij ieder overleg aanwezig te zijn.);

-

regulier of aanvullend lidmaatschap (In de meeste onderzochte situaties, is het extern lid een aanvullend lid, dat specifieke kennis of ervaring inbrengt bovenop de ‘basissamenstelling’ van de examencommissie. Soms gaat het om een regulier lid is, wat vooral geldt als een extern lid de voorzitter van de commissie is.);

-

tijdelijk of vast (Voor veel examencommissies was het nog niet duidelijk hoe ze in de toekomst verder willen. In enkele van de cases was een extern lid bewust tijdelijk aangesteld voor één of enkele jaren om een impuls te geven aan het werk, aan nieuwe taken of aan de kennis van de examencommissie.);

-

gezochte expertise (Meest genoemd werd de behoefte aan state-of-the-art kennis van de ‘toetswetenschap’ c.q. van - de borging van - betrouwbaar en docentonafhankelijk toetsen en examineren. Ook was er behoefte aan kennis op juridisch gebied, didactische/onderwijs-kundige kennis, vakinhoudelijke kennis, kennis van hogeronderwijsbeleid en kennis van de (nieuwe) taken en bevoegdheden van examencommissies. In het hbo is er vaker dan in het wo behoefte aan inbreng vanuit het werkveld.).


Kosten en baten
Externe leden kunnen kosten met zich meebrengen. De kosten kunnen voorkomen of beperkt worden door bijvoorbeeld een gratis detachering vanuit het werkveld, het intern vrij roosteren van mensen, uitwisseling van personeel of inhuur tegen uurtarief bij een extern bureau. In de praktijk blijken de indirecte kosten – de extra organisatiekosten en de bedoening eromheen – meer dan de directe (loon)kosten als een last ervaren te worden.
Qua doelmatigheid geldt voor de onderzochte situaties dat het werken met externe leden soms extra tijd kost, maar vaak ook tijdwinst oplevert en daardoor per saldo efficiënt is.

Slotconclusie
Als slotconclusie geven de auteurs aan: “… Geen variant springt er als meest doelmatig of geschikt uit. Het belangrijkste is om optimaal ruimte te laten aan de afzonderlijke examencommissies om zelf een eigen invulling te geven aan de betrokkenheid van externen en bovenal om daarbij de doelen – in essentie (de borging van) kwaliteit en onafhankelijkheid – boven de specifieke invulling te stellen.”


Bron:
Externen in examencommissies hoger onderwijs. Een verkenning van praktische varianten.
Onderzoek in opdracht van Ministerie van OCW
Wouter van Casteren, Jules Warps en Carlijn Braam, ResearchNed, april 2012

URL: http://www.researchned.nl/wp-content/uploads/2013/05/Eindrapport-extern-lid-examencommissies-juni-2012.pdf