column_sept2013

Robots

De ongemakkelijke kloof tussen mens en techniek

De robots rukken op. Mensachtige robots hoorden lange tijd vooral thuis in science fiction, maar inmiddels komen ze steeds dichterbij. UT-collega Vanessa Evers, bijvoorbeeld, heeft zojuist van de Europese Unie vele miljoenen gekregen om te werken aan robots die kinderen leren samenwerken en die meehelpen in de klas. Daarnaast onderzoekt ze ‘telepresentie’: robots die leren de plaats van mensen in te nemen, zodat we ergens op afstand aanwezig kunnen zijn. Geen wonder dat de VPRO juist nu de televisieserie ‘Real Humans’ uitzendt, over robots die akelig goed op mensen lijken.

Op de één of andere manier zijn robots zowel fascinerend als angstaanjagend. Zolang ze nog redelijk ver van de mens af staan, vinden we ze vooral interessant. Maar als ze teveel op ons gaan lijken, wordt het ongemakkelijk. Robotprofessor Masahiro Mori heeft daarvoor een verklaring bedacht: de ‘uncanny valley’, ofwel de ‘kloof van ongemakkelijkheid’. Dode dingen vinden we steeds leuker naarmate ze meer op mensen lijken, totdat ze net iets te goed lijken: dan keldert onze waardering heel snel en komen ze in het domein van de zombies en de afgehakte ledematen.

Mary Shelley’s roman over het monster van Frankenstein is hiervan een prachtig voorbeeld. Victor Frankenstein ontdekt een manier om dode materie leven in te blazen, en maakt uit menselijke resten een levend wezen. Maar uit pure angst voor dit wezen, dat mens was maar ook weer niet, rende Frankenstein bij hem weg, en liet hem aan zijn lot over.

De angst voor mensachtige robots heeft hier veel mee te maken. Ze lijken net mensen, maar zijn dat niet, en daarom vertrouwen we ze niet. Straks worden ze nog intelligenter en vermenigvuldigen ze zichzelf: waarom zouden ze de mens dan nog dulden? Niet voor niets gaat de serie ‘Real Humans’ over een huwelijk dat stukgemaakt wordt door een ‘machobot’, een bejaarde man die zich meer hecht aan zijn ‘zorgbot’ dan aan zijn familie, en een bende gewelddadige ‘guerillabots’.

Maar hoe reëel is die angst? Gaan robots inderdaad de macht op aarde overnemen? Ik denk van niet. Achter die angst gaat namelijk een grote vergissing schuil. Al sinds er techniek bestaat, zijn mensen bang dat die ons gaat overheersen. De oude Griekse filosoof Plato vreesde dat al de opkomst van het geschreven woord ons geheugen zou aantasten. En de lopende band maakte de arbeiders eerder tot slaaf van de machine dan andersom: gebruiken mensen nu techniek, of worden wij juist gebruikt door techniek?

Het probleem van deze angst is dat ze denkt dat techniek tegenover de mens staat, en als een vreemde indringer ons domein kan komen bezetten. Terwijl het omgekeerde het geval is: techniek maakt ons juist tot de mensen die we zijn. Het schrijven gaf ons een ander geheugen, en massaproductie een andere maatschappij. Maar we zijn nog steeds mensen – zij het anders dan vroeger.

Zo is het ook met robots. De echte vraag is niet of robots het van de mensen zullen winnen. Waar het om draait, is hoe wij vorm geven aan een samenleving waarin robots een steeds grotere rol spelen. Wat laten we ze doen en wat niet? Bij welke situaties willen we persoonlijk aanwezig zijn, en bij welke volstaat telepresentie? Hoe geven we opnieuw vorm aan de zorg en het onderwijs? Als we die vragen niet stellen, maken we dezelfde fout als Frankenstein: dan lopen we angstig weg van onze eigen uitvindingen, en geven we ze vrij spel. Voor onze techniek moeten we leren zorgen – en voor robots al helemaal.