column_okt2014

Robots

Kan techniek de mens vervangen?

De robots nemen ons werk over! In een veelbesproken toespraak waarschuwde minister Lodewijk Asscher twee weken geleden voor de grote maatschappelijke gevolgen die de snelle ontwikkelingen in de robotica kunnen hebben. Steeds meer laaggeschoold werk zal straks door robots gedaan worden, stelt hij. Hierdoor zal een nieuwe, werkloze onderklasse ontstaan, terwijl de bezitters van robots de nieuwe bovenklasse zullen vormen. Om deze sociale ongelijkheid te voorkomen, is ander onderwijs nodig. Onze kinderen moeten dingen leren die robots niet kunnen, want alleen op die manier zorgen we dat hun arbeid niet overbodig wordt gemaakt door de robots.

In Asschers angst voor de robot klinkt een heel oude angst voor technologie door. Ik schreef daar al eerder over op deze plek. Doorgaans plaatsen we in ons denken mens en techniek tegenover elkaar, als levende ‘subjecten’ tegenover dode ‘objecten’. En wanneer de objecten te ver doordringen in de wereld van de subjecten, worden we bezorgd. Want dan worden de mensen de slaaf van de machine, in plaats van andersom. En dan ontstaat er een wereld waarin de logica van de apparaten de dienst gaat uitmaken, en niet meer die van de mensen.

Toch is er echt iets mis met dit beeld. Want in de praktijk blijkt de grens tussen mens en technologie aanmerkelijk minder scherp dan we vaak denken. In plaats van de mens te verdringen, wordt techniek doorgaans onderdeel van het menselijk bestaan. De apparaten vervangen ons niet, maar helpen ons om opnieuw vorm te geven aan onszelf en aan de samenleving. De objecten staan niet tegenover de subjecten, maar zitten er middenin. Prenatale diagnostiek geeft een nieuwe vorm aan onze ethische beslissingen, MRI scanners helpen hersenwetenschappers om het brein op een nieuwe manier te begrijpen. Technologieën maken deel uit van de mens.

Zo beschouwd berust de angst voor robots op een misverstand. Hoezeer ze ook op ons gaan lijken: de kans dat ze ons zullen verdringen is aanmerkelijk kleiner dan dat ze ons gaan vergezellen. De gedachte dat het laaggeschoolde werk van productie, onderhoud en schoonmaak straks geheel door robots zal worden overgenomen, is eigenlijk heel vreemd. Die robots moeten immers zelf ook weer worden geproduceerd, onderhouden en schoongemaakt. Ze vormen geen wereld buiten onze wereld, maar maken er deel van uit.

Robots doen hun werk doorgaans naast mensen en niet in plaats van hen. Til-robots in de thuiszorg of medicijn-robots in het ziekenhuis vervangen de verpleging niet, maar zijn er een nieuw onderdeel ervan. Daarbij nemen ze mensen ongetwijfeld werk uit handen, zoals Asscher terecht voorziet. Maar tegelijkertijd creëren ze ook nieuw werk, want de kans is groot dat ze ervoor zorgen dat we hogere eisen gaan stellen aan de zorg. Zoals de stofzuiger en de wasmachine er helemaal niet voor hebben gezorgd dat we minder tijd aan het huishouden zijn gaan besteden. De normen zijn simpelweg opgeschoven: met een stofzuiger haal je meer vuil weg dan met een bezem en met een wasmachine wordt je was schoner dan met de hand.

Robots nemen de wereld niet over, maar worden onze metgezel. Wat we onze kinderen daarom vooral moeten leren, is te doorzien welke invloed robots op ons hebben, zodat ze daar creatief en kritisch mee om kunnen gaan. Zo ontstaat een nieuwe generatie ontwerpers en gebruikers, die robots kunnen benaderen als onderdeel van de samenleving. De échte ethische vragen ten aanzien van robotica gaan niet over het beschermen van de mens tegen de robot, maar over de kwaliteit van ons leven met robots.