column_okt2013

Vergankelijkheid

Techniek en het overwinnen van het noodlot

Deze maand verschenen er twee romans die, op een geheel eigen manier, een prachtig licht werpen op de rol van technologie in het menselijk bestaan. Eén ervan speelt zich zelfs voor een belangrijk deel af in Enschede. Ernst Bergboers roman ‘De Klaprozen’ vertelt het verhaal van een wetenschapper die een manier lijkt te hebben gevonden om de mens onsterfelijk te maken. Maar het verbeteren en nabouwen van de mens blijkt enorme gevolgen te hebben, voor menselijke relaties en voor de betekenis van het leven. We kunnen maar moeilijk leven met de dood – maar een technische overwinning van de dood blijkt daar geen oplossing voor te zijn.

Ook de nieuwe roman van Marente de Moor gaat over techniek. ‘Roundhay, tuinscène’ is gebaseerd op het leven van Louis le Prince, die de allereerste filmbeelden heeft gemaakt: het twee seconden durende filmpje ‘Roundhay Garden Scene’. Het boek gaat over vergankelijkheid. De hoofdpersoon verdwijnt al in de eerste zin van het boek: hij neemt de trein van Dijon naar Parijs, maar komt nooit aan. Tegelijkertijd is zijn uitvinding, de film, een manier om het verleden vast te houden en zo de vergankelijkheid tegen te gaan. Maar telkens blijkt het resultaat slechts een teleurstellend en slap aftreksel van de werkelijkheid.

Beide romans geven een diep inzicht in de rol van techniek in ons bestaan. Elk op hun eigen manier gaan ze over de manier waarop mensen kunnen omgaan met het lot dat hen treft. En die manier heeft altijd iets tragisch, want alle pogingen om ons lot met technische middelen in eigen hand te nemen, blijken te mislukken. In ons tijdperk van technologie en vooruitgangsgeloof kunnen wij niet berusten in ons lot: wij zetten het naar onze hand, met slimme apparatuur. Maar tegelijkertijd moeten we erkennen dat daar grenzen aan zijn, en dat het lot zich via de achterdeur steeds opnieuw bij ons meldt.

De Griekse mythologie bevat een prachtig verhaal over deze spanning tussen noodlot en techniek: de mythe van Prometheus. Toen de goden bezig waren met het uitdelen van vaardigheden en vermogens aan alle wezens op aarde, stond de mens achteraan in de rij. En toen wij aan de beurt waren, bleek er niets meer over te zijn. De vleugels, de vinnen, de scherpe klauwen, alles was al op. De mens is, kortom, van oorsprong een wezen met een gebrek: het behoort tot onze natuur dat we iets tekort komen. Prometheus had medelijden met ons, en stal daarom het vuur van de goden: dan hadden we tenminste iets om ons mee te redden. Omdat ons lichaam het niet voor ons doet, moeten we onszelf aanvullen met techniek.

Hoewel techniek ons de macht lijkt te geven om aan ons lot te ontsnappen, blijkt ze dus zélf ons lot te zijn. We zijn veroordeeld tot techniek: elke poging om het lot naar onze hand te zetten, bevestigt onze afhankelijkheid ervan. Ons verlangen naar onsterfelijkheid laat zien hoe afhankelijk we zijn van de dood, want een wereld waarin de dood is uitgebannen, wordt betekenisloos. En onze pogingen om het verleden vast te houden blijken afhankelijk van de gebrekkige media waarmee we dat doen: filmopnames vergaan, en kunnen de werkelijkheid nooit écht vervangen. Hoe machtiger we worden, hoe groter onze afhankelijkheid.

De almacht die technologie ons lijkt te geven blijkt uiteindelijk dus niets meer en niets minder te zijn dan de manier waarop wij als gebrekkige mensen proberen om te gaan met het noodlot. En omgaan met het noodlot, dat leer je alleen écht van mooie verhalen.

Peter-Paul Verbeek

www.ppverbeek.nl