column_nov2013

Leven maken in het laboratorium

Wetenschap en religie

Leven maken uit dode materie, kan dat? Voor veel mensen klinkt het misschien als het scenario van een horror-film, maar in de natuurwetenschap wordt er momenteel hard aan gewerkt. Wat zou het betekenen, als dat zou lukken: zelf leven maken?

Afgelopen donderdag hield ik een lezing op een congres waar topwetenschapper Cees Dekker één van de andere sprekers was. Dekker is om twee redenen spraakmakend. Ten eerste is hij één van de kandidaten om als eerste wetenschapper leven te maken in een laboratorium. En ten tweede is hij een christelijk wetenschapper, die graag in de media vertelt over de manier waarop hij geloof en wetenschap samenbrengt.

Dekker verwacht dat het binnen 10 jaar zal lukken om leven te maken. Het hangt er alleen wel vanaf hoe je ‘leven’ definieert, zei hij erbij. Is iets levend als het zichzelf kan vermenigvuldigen? Dan leeft een computervirus ook. Moet het zichzelf kunnen bewegen en verplaatsen? Maar dan toch anders dan een auto. Of leeft iets als het zichzelf in stand kan houden met een stofwisseling: als het voeding opneemt en afvalstoffen afscheidt? Hij hield het maar even op dat laatste: een cel met een stofwisseling, dat is een mooi begin. Dat zou moeten lukken, binnen 10 jaar.

Dat uitgerekend een christelijk wetenschapper als Cees Dekker dit onderzoek doet, is bijzonder. Het creëren van leven, dat associëren de meeste mensen toch meer met goddeloze overmoedigheid dan met religieuze bescheidenheid. Zou Dekker niet van zijn geloof moeten vallen als blijkt dat hij zelf leven kan maken in zijn laboratorium? Wat blijft er nog over van het geloof in een schepper als we zelf ook leven kunnen scheppen? Als de evolutietheorie al moeilijk leek te combineren met het scheppingsverhaal, wat moet het maken van leven dan wel niet betekenen?

Toch ligt het allemaal veel subtieler dan dit. Evolutietheorie en kunstmatig leven kunnen alleen tegenover religie staan wanneer religie net als de wetenschap een verklaring zou willen bieden voor het ontstaan van de kosmos en het leven. Maar dat is wel een heel beperkt beeld van religie. Draait het in religie niet veel meer om het betekenis geven aan de ervaring dat sommige dingen je begripsvermogen en je macht te boven gaan? Om wat filosofen ‘transcendentie’ noemen? De ervaring dat het een wonder is dat de aarde en het leven er zijn, en er niet niet zijn – en dat dat uiteindelijk niet te bevatten is.

Die religieuze ervaring van de transcendentie van de dingen hoeft helemaal niet op gespannen voet te staan met wetenschap. Dat de aarde uit de Big Bang is ontstaan, roept immers weer de vraag op hoe het toch mogelijk is dat de natuur zo in elkaar zit dat er een Big Bang in kon optreden. En als we leven kunnen maken in een laboratorium, is dat niet alleen een teken van onze macht over de natuur, maar ook een manier om te beseffen hoe bijzonder het is dat de natuur zo in elkaar zit dat dit mogelijk is.

Zo beschouwd is het beeld van een schepper vooral een hulpmiddel om woorden te geven aan ervaringen van transcendentie. Als die schepper zou bestaan zoals de dingen om ons heen bestaan, zou de transcendentie immers direct weer verdwenen zijn: dan is ‘hij’ ook weer ‘iets’ dat verklaard zou moeten worden – en daarmee zijn we de transcendentie weer kwijt.

Wetenschap staat niet tegenover religie. Het is juist andersom: hoe meer we begrijpen van de natuur, hoe meer ruimte we hebben om ons erover te verwonderen.