column_mei2012

Vertrouwen in de wetenschap

Het vertrouwen in de wetenschap heeft de afgelopen jaren stevige deuken opgelopen. De onrust over de fouten (of eigenlijk: foutjes) in het klimaatonderzoek was nog maar nauwelijks weggezakt, of een van de kopstukken van de Nederlandse psychologie bleek een oplichter te zijn. En ondertussen blijven de media berichten over universiteitsbestuurders die ruim boven de Balkenendenorm verdienen, terwijl hun declaratiegedrag dat toch bepaald niet nodig maakt. De tijd van de wetenschap als een veilig bastiljon van betrouwbare waarheidsvinding lijkt ver achter ons te liggen.

Hoe is dat zo gekomen? Een makkelijke verklaring is de populistische tijdsgeest. Als de massa in opstand komt tegen de elite, is het in de wetenschap makkelijk scoren. Hoogleraren die op kosten van de belastingsbetaler hun eigen hobby's uitleven, en vervolgens carrière maken door vals te spelen, terwijl hun bazen buitensporig verdienen en ook nog dure hotels en reizen voor hun partners declareren: de journalisten dippen hun pen al in het bloed.

Toch is dit niet het hele verhaal. Er is iets fundamentelers aan de hand. Fraude onder wetenschappers en bestuurders is verwerpelijk, maar helaas ook menselijk en dus waarschijnlijk van alle tijden. Dat het in deze tijd zo hevig opvlamt heeft ook te maken met de nieuwe maatschappelijke rol die de wetenschap is gaan spelen. Wetenschappers worden niet meer geacht zich in hun ivoren te verschansen en af en toe wat kennis naar beneden te gooien, maar voluit deel te nemen aan de samenleving: ze moeten de politiek adviseren, innovatie bevorderen, publieke discussies aanjagen. En deze nieuwe rol brengt ingewikkelde paradoxen met zich mee.

Aan de ene kant, bijvoorbeeld, moet wetenschap kennis opleveren die bedrijven niet kunnen ontwikkelen: anders hoeft er geen belastinggeld naartoe. Maar aan de andere kant moeten wetenschappers volop meedoen met het bedrijfsleven, want hobby's van professors worden niet gesubsidieerd. En enerzijds verwacht de politiek onfeilbare, onafhankelijke waarheden van wetenschappers, terwijl het kabinetsbeleid wetenschappers anderzijds dwingt tot samenwerking met en dus afhankelijkheid van de industrie.

Als er zulke tegenstrijdige eisen aan wetenschappers worden gesteld, kunnen ze het haast niet goed doen. Ze zijn óf graaiers óf subsidievangers. Maar het probleem ligt dieper. De kern van de zaak is, dat het vanzelfsprekende gezag dat de wetenschap ooit had, is verdwenen. En dat vraagt om een nieuwe opstelling van wetenschappers. Net zoals artsen zichzelf opnieuw hebben uitgevonden als deskundige gesprekspartner in plaats van een onfeilbare autoriteit op afstand, moetenwetenschappers leren om zich open te stellen voor dialoog.

Het publiek heeft doorgaans nauwelijks een idee van de wetenschappelijke praktijk. Ze zien hooguit eens wat spannende uitkomsten van onderzoek, maar het onderzoek zelf zien ze niet. Sommige wetenschappers vinden het namelijk vervelend om hun verhaal te moeten versimpelen. En anderen hebben er geen tijd voor, in de enorme druk om te publiceren en geld te verwerven. Op die manier kun je van de mensen ook niet verwachten dat ze begrijpen hoe wetenschap werkt en wat de waarde van wetenschap is.

Zo kan het niet langer. Wetenschap is een maatschappelijke activiteit: de samenleving betaalt er flink voor. Dan mag daar best wat tegenover staan. Wetenschapscommunicatie hoort tot de kernactiviteiten van elke wetenschapper. De politiek moet beter nadenken over de vraag wat de samenleving van de wetenschap kan en mag verwachten. Maar dan moeten ook de wetenschappers zelf beter gaan nadenken over hun eigen rol in de maatschappij.