column_juni2013

Ouderdomsgenen

Mogen we de dood verdrijven?

Onlangs hebben onderzoekers van het Amsterdams Medisch Centrum een aantal genen ontdekt die de levensduur van een organisme aanmerkelijk kunnen verlengen. Als ze de activiteit van deze genen halveerden, bleken muizen maar liefst anderhalf keer zo oud te worden. En wonderlijk genoeg blijkt dit effect met sommige soorten antibiotica te bereiken – wat overigens niet betekent dat we allemaal veel ouder worden als we maar genoeg penicilline slikken.

Hoewel deze ontdekking nog niet direct een medicijn zal opleveren om langer te leven, geeft het wel stof tot nadenken. Wat een kleine maar ook heel wenselijke technische ingreep lijkt, kan namelijk heel grote gevolgen hebben. Nog niet zo lang geleden was 40 jaar een heel mooie leeftijd. Inmiddels ligt de gemiddelde leeftijd rond de 80. Maar wat gaat er gebeuren als we allemaal 120 zouden worden? Of nog veel ouder, want hiermee is de grens vast nog niet bereikt.

Hoe afschrikwekkend ook, de dood is de horizon van ons bestaan. Zonder horizon zien we geen diepte. Als de dood er niet was, zouden we altijd alles nog kunnen doen. En daarmee zouden veel dingen hun betekenis verliezen. De tijd die ons is gegund geeft structuur en ritme aan ons leven.

Simone de Beauvoir heeft dat weergaloos invoelbaar gemaakt in haar roman ‘Alle mensen zijn sterfelijk’. De hoofdpersoon, Fosca, is onsterfelijk geworden door een levenselixer te drinken. Daardoor vervreemdt hij van alles en iedereen. Of hij nu wint of verliest – het maakt niet uit, want het gaat toch eindeloos zo door. De vrouwen in zijn leven genieten ervan dat hij ze altijd in zijn herinnering zal meedragen, maar weten ook dat hij eindeloos veel vrouwen na hen zal beminnen. Terwijl Fosca weet dat hij iedere vrouw van wie hij houdt, zal kwijtraken.

Zonder de dood, kortom, verliest alles zijn waarde. Onze sterfelijkheid geeft vorm aan ons bestaan; ze hoort tot de menselijke conditie, zoals filosofen dat noemen. Maar wat gebeurt er als we met technologie kunnen sleutelen aan die sterfelijkheid? Er gaat nogal wat op de schop als de gemiddelde leeftijd 120 zou worden.

Wat gaat er bijvoorbeeld gebeuren met de verschillende fasen in het leven? Kiezen we nog een opleiding voor ons twintigste jaar, of nemen we daar wat langer de tijd voor? En wat gebeurt er met de midlife crisis? Krijg je die dan op je zestigste? Of krijg je er gewoon rond je tachtigste nog één? Houden alle relaties het wel zo lang vol? Of wordt het steeds gewoner om kinderen uit verschillende relaties te hebben? We zullen onze levensloop opnieuw moeten uitvinden.

Ook de samenleving zal zich opnieuw moeten organiseren. Gaat een gemiddelde opleiding ook anderhalf keer zo lang duren? En wanneer gaan we dan met pensioen? De bevolking zal ook groeien met een factor anderhalf. En daarmee ook de zorgkosten, de woningbehoefte, de voedsel- en energieconsumptie. Kunnen onze maatschappij en onze aarde dit allemaal wel aan? Bovendien: voor wie is deze technologie bereikbaar? Creëren we een nieuwe bovenklasse en onderklasse door het alleen voor de rijken mogelijk te maken om oud te worden? Of krijgt iedereen recht op levensduurverlenging, en gaat de behandeling in het basispakket?

De dood lijkt onze grootste vijand. Maar hoe beter we hem kunnen wegjagen, hoe meer we ontdekken wat hij eigenlijk voor ons betekent. De dichter J.C. Bloem schreef: “Denkend aan de dood kan ik niet slapen. En niet slapend denk ik aan de dood.” Misschien moet dat voorlopig nog maar even zo blijven.