column_juni2012

Kun je geloven in wetenschap?

Deze week was ik in Den Haag voor een discussiebijeenkomst over vertrouwen in de wetenschap – toevallig het onderwerp van mijn vorige column in deze krant. Dit keer ging het gelukkig eens niet over bedrog in de wetenschap. De vraag was: hoeveel geloof hechten burgers nog aan wat wetenschappers beweren?

Veel voorbeelden lieten zien hoe wankel het vertrouwen kan zijn. De vaccinatiecampagne tegen het virus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken, bijvoorbeeld. Wetenschappers lieten zien dat het verstandig is om jonge meisjes in te laten enten, maar veel mensen geloofden dat niet. Of het klimaatonderzoek. Lang geleden had iedereen het over zure regen maar nu hoor je er niks meer over, dus concluderen sommigen dat het met de stijging van de zeespiegel ook wel mee zal vallen. Terwijl we het er niet meer over hebben omdat het beleid gewoon goed heeft gewerkt en er veel minder zure regen is.

Sommige verklaringen van dit gebrek aan vertrouwen in wetenschap zijn me te gemakkelijk. Dat wetenschap te moeilijk is, bijvoorbeeld, waardoor het brede publiek niet meer kan begrijpen waarom iets waar is. Of dat het door het populisme komt: de wetenschappelijke elite wil alleen zijn zakken vullen en hobby’s uitleven ten koste van het gewone volk.

Zeker: wetenschap is niet altijd gemakkelijk, en het populisme maakt de discussie er niet beter op. Maar uit deze verklaringen spreekt toch nog steeds het arrogante beeld van de wetenschap als onfeilbare waarheidsmachine. Wetenschappers hebben geen meningen maar tonen feiten, en wie dat niet begrijpt is of te dom of gelooft in complottheorieën. Zo'n houding is weinig democratisch: je zet een heel deel van het volk buitenspel, en maakt het politieke debat monddood, want over onwankelbare feiten valt toch niet te discussiëren.

Maar als wetenschap geen waarheidsmachine kan zijn, wat dan wel? Wetenschappers hebben toch wel meer te bieden dan ‘ook maar een mening’? We willen toch niet dat mensen het verhaal dat er nanochips in griepvaccins zitten net zo serieus nemen als het oordeel van wetenschappers over de werking van deze vaccins?

In de wetenschapsfilosofie is een uitweg uit dit dilemma ontwikkeld. De oplossing heet ‘constructivisme’. Volgens deze benadering is wetenschap mensenwerk: feiten worden niet ontdekt, maar gemaakt. Wetenschappers hebben namelijk geen directe toegang tot de dingen. Ze gebruiken altijd interpretatiekaders, instrumenten en benaderingswijzen om contact te maken met dat wat ze onderzoeken. Alleen vanuit dit indirecte contact kunnen ze kennis ontwikkelen. Wanneer dat contact verandert, bijvoorbeeld door nieuwe theorieën of waarnemingsmogelijkheden, worden inzichten dan ook vaak bijgesteld.

Sommigen vinden dit beeld van wetenschap te zwak: als kennis een constructie is, blijft er van de waarheid volgens hen niets over. Toch is dat vreemd. Zoals wetenschapsfilosoof Bruno Latour eens zei: aan de betrouwbaarheid van een stevig geconstrueerd gebouw twijfelt niemand, waarom dan wel aan stevig geconstrueerde feiten?

Je zou dus inderdaad kunnen zeggen dat wetenschap een mening over dingen is. Alleen is het niet zomaar een mening, maar een heel stevig onderbouwde mening. En juist door het solide constructiewerk achter die mening te laten zien, kan wetenschap meer democratisch worden. Mensen kunnen dan kritisch meedenken, en verschillende benaderingen onderbouwd afwegen. In de medische wetenschap is een ‘second opinion’ geen zwaktebod of ‘ook maar een mening’, maar juist een weg naar meer duidelijkheid. Zo’n openheid voor debat is een betere weg naar vertrouwen in de wetenschap dan vasthouden aan onfeilbare waarheden.