column_jan2014

Zelfplagiaat
Beoordeel wetenschappers op inhoud, niet op productie

Afgelopen week was het weer zover: er leek een nieuw geval van wetenschappelijke fraude ontdekt. Peter Nijkamp, een vooraanstaande econoom, wordt beschuldigd van een geheel nieuwe vorm van wetenschappelijk bedrog: ‘zelfplagiaat’.

Op het eerste gezicht lijkt dat een onmogelijk vergrijp. Plagiaat, dat is het overschrijven van andermans werk. Dingen van jezelf pikken, dat klinkt niet logisch. Maar in de wetenschap is niets onmogelijk. Nijkamp blijkt in sommige publicaties namelijk delen van zijn eigen artikelen te hebben hergebruikt zonder dat te vermelden. En daarmee zou hij ten onrechte de indruk hebben gewekt dat hij een enorme wetenschappelijke productie heeft. De Vrije Universiteit, waar hij werkt, heeft nu een commissie ingesteld die zijn gehele werk gaat doorlichten.

Door de gretigheid waarmee de media op deze zaak doken, zou je haast geloven dat we hier met een nieuwe Diederik Stapel te maken hebben. Maar die vergelijking gaat echt mank. Stapel verzon zelf onderzoeksgegevens, en dat is heel iets anders dan het recyclen van eerder gebruikte formuleringen. De eerste reactie van veel wetenschappers is dan ook: zelfcitaten, daar kom je haast niet omheen. Als je bouwt aan een wetenschappelijke theorie, moet je nu eenmaal vaak dezelfde dingen uitleggen voor je een stap verder kunt zetten.

Begrijp me niet verkeerd: als Nijkamp niet eerlijk heeft verwezen naar eerdere publicaties, dan is dat verkeerd en moet er iets van gezegd worden. Maar uiteindelijk is hier iets heel anders aan de hand. Deze vermeende affaire laat namelijk perfect zien hoe de wetenschap gaandeweg dreigt te ontsporen tot een systeem waarin wetenschappelijke passie vervangen wordt door bureaucratie en carrièredrang. Alleen in een wereld waarin de lengte van iemands publicatielijst maatgevend is, kan ‘zelfplagiaat’ voorpaginanieuws zijn. Blijkbaar leeft inmiddels het beeld dat het in de wetenschap eerder zou gaan om kwantiteit dan om kwaliteit, en dat wetenschappers meer verlangen naar goede ‘prestatie-indicatoren’ dan naar kennis en inzicht.

Inderdaad: het wetenschapssysteem zit intussen boordevol met bureaucratische telsystemen. Tijdschriften en uitgeverijen worden naar prestige ingedeeld in categorieën A, B en C. Wetenschappers krijgen een “h-index”, die aangeeft hoeveel hun werk geciteerd wordt. Er bestaan puntensystemen om uit te rekenen hoe zwaar de ene publicatie weegt ten opzichte van de andere. Wie denkt dat je W.F Hermans moet lezen om de universitaire wereld te begrijpen, kan beter eens beginnen in Franz Kafka. Als de meeste wetenschappers uiteindelijk niet gedreven werden door de inhoud, lukte het ze nooit om hun motivatie vast te houden in deze jungle.

Deze ambtenarij blijft doorgaans gelukkig verborgen voor het grote publiek. We kunnen niet zonder, maar het gaat wetenschappers uiteindelijk toch om het bevredigen van hun nieuwsgierigheid en om de bijdrage die ze met hun werk kunnen leveren aan de samenleving. Door de kwaliteit en impact van wetenschap zichtbaar en onderling vergelijkbaar te maken, gaat het onderzoeksgeld alleen naar goede wetenschappers, en niet meer automatisch naar iedereen: dat vinden de meeste mensen prima. Maar inmiddels geeft het systeem zoveel valse prikkels dat het hart van de wetenschap zwakker dreigt te gaan kloppen. En als een middel een bedreiging wordt voor het oorspronkelijke doel, dan wordt het tijd voor een ander middel.

Laten we dan ook hopen dat bij de beoordeling van Nijkamps werk uiteindelijk de kwaliteit ervan maatgevend is, en niet de kwantiteit. Zeker op zijn niveau zijn aantallen geen geschikte maat voor de waarde en impact van iemands werk. Wie werkelijk meent dat de lengte van een publicatielijst de belangrijkste indicatie is voor intellectuele kwaliteit, heeft van wetenschap weinig begrepen.