column_april2013

Publieksfilosofie of wetenschap?

De maand van de filosofie

Gisteravond werd in Amsterdam de jaarlijkse Nacht van de Filosofie gehouden. Die nacht is elk jaar in april het hoogtepunt van de maand van de filosofie. Met een enorm aanbod aan lezingen en activiteiten wordt de filosofie op allerlei manieren bedreven en toegankelijk gemaakt.

Hoewel mijn leermeester Hans Achterhuis deze nacht altijd als “het feest van het denken” aanduidde, kijken veel academische filosofen er nogal meewarig naar. Zij maken een onderscheid tussen ‘publieksfilosofie’ en ‘academische filosofie’, en vinden dat die twee werelden strikt gescheiden moeten blijven. Wat tijdens de Nacht van de Filosofie gebeurt, heeft volgens hen met échte filosofie niets te maken.

Toegegeven: soms hebben ze wel een beetje gelijk. Er wordt nogal wat zweverigheid en quasi-diepzinnigheid verkocht als filosofie. Maar dat betekent nog niet dat we het bereik van de filosofie moeten beperken tot de universiteit. Filosofie is in de eerste plaats een denkhouding, een kritische en onafhankelijke blik op de wereld en op de manier waarop wij die wereld begrijpen. En die denkhouding kan zowel binnen als buiten de universiteit een belangrijke rol spelen. Filosoferen is: vanzelfsprekendheden opzoeken en minder vanzelfsprekend maken. Het gaat daarbij meer om het stellen van de juiste vragen dan het vinden van de juiste antwoorden. Filosofie is in die zin geen wetenschap, maar bevindt zich een laag daaronder.

In de academische filosofie gaat het dan om vragen als: op welke gronden kunnen we bepalen of een wetenschappelijke theorie klopt? Hoe kun je beargumenteren of een beslissing ethisch juist of onjuist was? Met welke termen kunnen we begrijpen we wat het betekent om mens te zijn? Hoeveel vrije wil kan een mens hebben als processen in onze hersenen ons denken en voelen en willen bepalen?

Maar deze denkhouding heeft ook een persoonlijke en een maatschappelijke component. Het werkt immers bevrijdend om beter te begrijpen hoe we denken, en wat we voor vanzelfsprekend houden zonder het te beseffen. Daarom kan de filosofie ook bijdragen aan iemands persoonlijke levensvoering, of aan de inrichting van een organisatie. En dus bestaat er ook ‘organisatiefilosofie’ en ‘levenskunstfilosofie’.

Als het goed gebeurt, is deze ‘publieksfilosofie’ helemaal niet zweverig, maar juist uitermate rationeel en subtiel. En soms zit er meer originaliteit en vitaliteit in dan in sommige academische varianten. Niet voor niets had Harry Mulisch het altijd over ‘filosofologie’ als hij het over de Nederlandse academische filosofie had. Veel universitaire filosofen, zo vond hij, weten alles óver de filosofie maar ze doen het niet zélf: ze herkauwen alleen wat anderen hebben bedacht in plaats van zelf iets nieuws te bedenken.

Dat deze twee werelden tijdens de nacht van de filosofie op een inspirerende manier bij elkaar komen, wordt prachtig gesymboliseerd door de winnaar van de Socrates wisselbeker, de prijs voor het meest prikkelende filosofieboek van het afgelopen jaar. De overtuigende winnaar was Paul van Tongeren, met zijn boek ‘Leven is een kunst’. ‘Levenskunst’ is een populair thema in de publieksfilosofie, dat tot de nodige zweverigheid aanleiding kan geven. Maar Paul van Tongeren werkt helder en streng uit dat de kunst van het leven niet begrepen moet worden als een soort individueel project om ‘aan jezelf te werken’, maar als een ethische activiteit: het zoeken naar een antwoord op de vraag wat een goede manier van leven is. Academisch doorwrocht, in discussie met de filosofische traditie, maar tegelijk gericht op de praktische kunst om het leven goed en mooi te leven. Als iets ‘échte filosofie’ mag heten, dan is dat het wel.