column_apr2012

De terugkeer van de politiek

De Nederlandse politiek heeft zichzelf de afgelopen week opnieuw uitgevonden. Door het kabinet te laten vallen heeft de PVV onbedoeld de politiek teruggebracht bij datgene waar het uiteindelijk om gaat: het belang van het land als geheel, en niet het aantal zetels van je eigen partij. Het is per slot van rekening crisis. Mensen verliezen bij bosjes hun baan, de staatsschuld rijst de pan uit, de sociale zekerheid begint te wankelen.

Dat de Tweede Kamer in een paar dagen voor elkaar kreeg wat de regering in zeven weken niet lukte, zou wel eens het begin kunnen zijn van een nieuw tijdperk. D66, de ChristenUnie en GroenLinks hebben verantwoordelijkheidszin en leiderschap teruggebracht in de politiek. Met gevaar voor eigen peilingen maakten zij het mogelijk de gevolgen van de crisis te beperken.

De val van het kabinet lijkt zo ook de val van het populisme in te luiden. Dit keer lag het er te dik bovenop: toen Wilders besloot de stekker eruit te trekken, ging het de PVV overduidelijk niet om Nederland, maar vooral om het eigen zetelaantal. En in crisistijd doe je zoiets niet. Deze ontmaskering van de PVV heeft de politiek wakker geschud. Na jaren van gijzeling door de grillen van Wilders en de effecten daarvan op de peilingen is er weer ruimte voor inhoud en niet alleen voor strategie.

Zo wordt opeens duidelijk wat ook al weer het verschil was tussen populisme en democratie. De woorden zijn zo verwant: ‘populus’ en ‘demos’ betekenen allebei ‘volk’. Maar het populisme gebruikt het woord ‘volk’ om te splijten: het is een verzet van ‘het volk’ tegen ‘de elite’. Terwijl democratie juist wil verbinden: het geeft de macht aan het gehele volk, ten dienste van iedereen.

Dit onderscheid zit zelfs verankerd in de naam van de Partij voor de Vrijheid. Het woord ‘vrijheid’ kan twee heel verschillende dingen betekenen, zoals de politiek filosoof Isaiah Berlin heeft laten zien. Ten eerste is er ‘negatieve vrijheid’. Dat betekent ‘vrij zijn van iets’, jezelf ergens van bevrijd hebben, leven in de afwezigheid van belemmeringen en beperkingen. Daarnaast is er ‘positieve vrijheid’. Dat is geen ‘vrijheid van’ maar ‘vrijheid tot’: de mogelijkheid en de ruimte hebben om iets te kunnen verwerkelijken.

De vrijheid van de PVV blijkt een negatieve vrijheid te zijn: we moeten ons bevrijden van de elite, en van de Islam. De huidige crisis vraagt echter om het scheppen van positieve vrijheid. Het gaat niet zozeer om de vraag wat ons allemaal belemmert, maar waar we met z’n allen naar toe moeten. Hoe geven we vorm aan ons land in deze moeilijke tijden? Hoe houden we onze sociale zekerheid en gezondheidszorg overeind, de cultuur en de wetenschap, hoe stimuleren we ondernemerschap en zorgen we voor een duurzame toekomst voor de samenleving en de natuur?

Door de val van het kabinet gaat het in de politiek eindelijk weer om die positieve vraag. De gelegenheidcoalitie die deze week verantwoordelijkheidszin toonde is daarvan een hoopvol begin. Ongetwijfeld zal de PVV nog steeds veel stemmen trekken. Maar met een partij die alleen verantwoordelijkheid wil dragen als dat goed uitkomt in de peilingen wil voorlopig niemand meer regeren. Laat Wilders maar campagne voeren tegen Brussel. Dan kunnen de andere partijen verder gaan met de discussie wat de overheid het beste kan doen voor het Nederlandse volk. Het gehele Nederlandse volk.