HumanEnhancement

verschenen in Trouw als:

Mopperen met schone handen

Peter-Paul Verbeek

Implanteerbare chips kunnen doven een deel van hun gehoor teruggeven. Psychofarmaca beïnvloeden stemmingen. Gentechnologie maakt ingrepen in het erfelijk materiaal mogelijk. Wij versmelten, kortom, in toenemende mate met technologie. Dat roept de vraag op waar de grenzen eigenlijk liggen.

Het blijkt erg ingewikkeld om de discussie hierover op een goede manier te voeren. Twee posities domineren het huidige debat. Aan de ene kant zijn er de utopische visioenen van de ’transhumanisten’ die menen dat de mens zich tot een nieuwe soort zal doorontwikkelen, een verbeterde versie van homo sapiens. Aan de andere kant zijn er de nachtmerries van conservatieve ’humanisten’ die vrezen dat deze ingrepen de menselijke waardigheid zullen aantasten. Hun verdediging van het ’humane’ is dikwijls – impliciet of expliciet – religieus geïnspireerd.

Illustratief is de reactie enige tijd geleden op het voorstel van Peter Sloterdijk – in zijn lezing ’Regels voor het mensenpark’, die ook in Trouw veel stof deed opwaaien. Hij pleitte voor het ontwikkelen van richtlijnen voor een goed gebruik van deze nieuwe technologieën. De Duitse filosoof werd direct beschuldigd van een poging de eugenetica van de nazi’s nieuw leven in te blazen. Alleen het toelaten van de gedachte aan technologische ingrepen in de mens blijkt al suspect – zelfs als die expliciet vanuit een ethisch perspectief wordt geformuleerd.

In de recentelijk verschenen bundel ’Omhoog kijken in platland. Over geloven in de wetenschap’ gebruikt moleculair biofysicus Cees Dekker een vergelijkbare polariserende denkstijl. Hoewel hij sommige technische mogelijkheden fascinerend en zinvol vindt, meent hij dat we grenzen moeten stellen aan het “gesleutel aan de mens”. Dekker, aanhanger van de Intelligent Design-theorie, spreekt over pre-implantatie diagnostiek als over ’keuze-eugenetica’. De kernvraag is volgens hem: „Willen we een Brave New World?”

Daarbij beroept Dekker zich op ’de menselijke waardigheid’, als centraal begrip in de christelijke traditie. Sleutelen aan de mens zal hieraan afbreuk doen, vindt hij. Hij vreest een wereld waarin voor imperfectie geen plaats meer is en waarin een tweedeling ontstaat tussen ’verbeterden’ en ’niet-verbeterden’.

Zulke angstvisioenen zijn signalen dat er iets belangrijks op het spel staat. Maar angst is ook hier uiteindelijk een slechte raadgever: hij verhindert dat we het probleem recht in de ogen kijken. Ons uitsluitend richten op science fiction-achtige scenario’s over een Brave New World is weinig zinvol. Iedereen zal Dekkers oproep tot voorzichtigheid onderschrijven en het doemscenario van een genetische wedloop willen voorkomen. Maar er is hier een aanmerkelijk complexer ethisch kader nodig dan principieel verzet. En dan blijkt dat Dekkers beroep op de ’menselijke waardigheid’ en op de christelijke moraal in het geheel niet hoeft te betekenen dat we technologische ingrepen in de mens categorisch moeten afwijzen.

Enkele jaren geleden zat ik een discussie voor tussen een hoogleraar reformatorische wijsbegeerte en een orthodoxe rabbijn. Waar de eerste zich sterk kantte tegen de technologische mogelijkheden en afhoudend was tegenover interventies in de menselijke natuur, gaf de tweede zich juist rekenschap van de verwevenheid van mens en techniek.

De wereld is onvolmaakt geschapen, zo luidde zijn argumentatie, en het is aan de mens de schepping te vervolmaken totdat de Messias komt. In dat vervolmakingsproces kunnen technologische middelen bij uitstek een rol spelen. En zolang die in dienst staan van een menswaardiger werkelijkheid kun je dat alleen maar toejuichen. In zijn redenering zijn we dat zelfs aan de Schepper verplicht.

Dit standpunt lijkt mij aanmerkelijk vruchtbaarder dan principieel verzet. Het gaat uit van de verwevenheid tussen mens en technologie – een verwevenheid die er vanaf het begin is geweest. Met agenda’s onthouden we onze afspraken, brillen en gehoorapparaten helpen ons te zien en te horen, auto’s geven ons een hogere verplaatsingssnelheid, pacemakers reguleren ons hartritme en vaccins beschermen ons tegen ziektes. Human enhancement technologie trekt deze lijn door, op nieuwe manieren.

In de filosofie is dan ook al vele malen beargumenteerd dat de mens ’van nature kunstmatig’ is (Helmuth Plessner) en een ’oorspronkelijke techniciteit’ heeft (Bernard Stiegler). Zo beschouwd is de ’menselijke waardigheid’ een zeer complex criterium om je op te beroepen wanneer je technische ingrepen in de mens wilt beoordelen. Het gebruik ervan vraagt dan ook om een verfijnde en zorgvuldige discussie. Zelfs bij technologie die direct ingrijpt in de menselijke voortplanting – zoals embryoselectie op grond van pre-implantatie diagnostiek – ligt de kwestie aanmerkelijk subtieler dan Cees Dekker wil doen geloven.

Juist de christelijke moraal van solidariteit waarop hij zich beroept zou wel eens een belangrijke verdediging kunnen vereisen van sommige vormen van enhancement technologie. Hoezeer we ook moeten waken voor een wereld waarin alles maakbaar wordt en waarin imperfectie geen plaats meer heeft, de menselijke waardigheid zou best gediend kunnen zijn met bepaalde, heel specifieke verbeteringen van de mens – bijvoorbeeld als die onwaardig lijden door ernstige ziektes helpen voorkomen.

Het structureel niet tot ontwikkeling laten komen van embryo’s met zeer ernstige afwijkingen zal op termijn inderdaad kunnen leiden tot een verbetering van de mens. Maar deze verbetering staat uiteindelijk ten dienste van de menswaardigheid – en daarmee van de menselijke waardigheid. Er wordt niet mee uitgedrukt dat mensen die ernstig lijden minder waard zijn. Er wordt mee uitgedrukt dat het mensonwaardig kan zijn om zo te moeten lijden. Net zo worden mensen in onze samenleving die polio krijgen omdat ze er niet tegen zijn ingeënt (een oudere technologie om onszelf te verbeteren) onthaald op respect. En niet op hoongelach.

Met Nietzsche in de hand zou je zelfs kunnen stellen dat de christelijke moraal helemaal niet zo vreemd is aan genetische manipulatie als ze misschien lijkt. Door de christelijke moraal van solidariteit krijgen immers juist de zwakkeren grotere voortplantingskansen, en verandert het karakter van de menselijke soort substantieel ten opzichte van wat ’natuurlijke selectie’ zou opleveren – iets waar niet gemakkelijk moreel bezwaar tegen aan te tekenen is.

De kernvraag is dan ook niet of wij wel moeten willen sleutelen aan de mens, maar wat we van de mens willen maken. Dat mag een overmoedige vraag lijken, maar met de huidige middelen in handen is het eerder onverantwoord die niet te stellen. Wie vindt dat we van de mens af moeten blijven, plaatst zichzelf buiten de ontwikkelingen en laat die feitelijk op hun beloop. Hij kan met schone handen mopperen op alles wat mis kan gaan.

Van oudsher gaat ethiek over de vraag naar het goede leven. De beantwoording van deze vraag gaat nu een nieuwe fase in. Dit betekent dat we ons zullen moeten buigen over lastige kwesties. Welke verbeteringen zijn wenselijk? Welke aspecten van enhancement kun je overlaten aan persoonlijke smaak en welke vereisen publiek debat en wetgeving? In hoeverre speelt verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties een rol? Wat is een goed leven, in de meest letterlijke zin van het woord?

Enhancement technologie is geen morele bedreiging maar een morele uitdaging. Wie die niet aan wil gaan, plaatst zichzelf heroïsch, maar machteloos aan de zijlijn. En trekt aan een noodrem die nergens op aangesloten is. Dit betekent niet dat we alles maar moeten doen wat technisch mogelijk is. Het betekent wel dat we alles wat mogelijk is, moeten durven doordenken. En vooral dat we nieuwe morele kaders moeten durven ontwikkelen om de versmelting van mens en techniek in een waardige richting te begeleiden.

Dr. ir. Peter-Paul Verbeek is universitair hoofddocent wijsbegeerte aan de Universiteit Twente en directeur van de masteropleiding Philosophy of Science, Technology, and Society.