Oude afstudeeropdrachten alleen ter info

Voorstel onderzoek naar effecten van ICT op disease management

(concept januari 2007)

Achtergrond van het onderzoek

ICT-toepassingen in de gezondheidszorg: telemedicine

De verschillende mogelijkheden van ICT bieden ondersteuning voor de toenemende eigen verantwoordelijkheid van patiënten. Dit wordt ‘patient empowerment’ genoemd, wat inhoudt dat de patiënt centraal staat in de behandeling van zijn aandoening en hierbij zelf een grote verantwoordelijkheid heeft. Het versterken van de verantwoordelijkheid kan bijvoorbeeld bereikt worden door afstands- en zelfmonitoring. Vooral bij diabetes, astma en andere chronische ziekten is deze empowerment nuttig. Zoals al eerder genoemd zijn dit levenslange aandoeningen waarbij een grotere verantwoording voor de patiënt vaak een gunstige invloed op het verloop van de aandoening heeft. Effectief zelfmanagement helpt patiënten persoonlijke doelen te stellen en zorgt voor feedback en hulp bij problemen. Een punt van aandacht is dat diabetes type 2 veel bij ouderen voorkomt. Veelal zijn zij niet met internet en computers opgegroeid. Training maakt echter veel mogelijk en indien men ook de mogelijkheden tot sociale verbetering ziet, wordt men vaak enthousiast.

Door telemedicine toepassingen kan zorg efficiënter ingericht worden. Met diagnose op afstand kunnen bijvoorbeeld dure patiëntentransporten en opnames voorkomen worden. ‘Telemedicine is het op afstand verlenen van zorgdiensten door gebruik te maken van informatie- en communicatietechnologie (ICT) (Nederlands Instituut voor Telemedicine, 2006)’. Het Nederlands Instituut voor Telemedicine (Nitel) onderscheidt een zevental toepassingsgebieden voor telemedicine. In Figuur 1 zijn deze gebieden te zien inclusief een praktijkvoorbeeld. Een aantal vormen van telemedicine zal toegelicht worden.

Figuur 1. Telemedicine toepassingsgebieden [NIT06]

Televoorlichting

Voor er aan een zorgproces begonnen wordt of zorg nodig is, vindt voorlichting en preventie plaats. Als bron voor achtergrondinformatie is het internet een geschikt medium. Een patiënt kan na een consult nog een keer rustig informatie over een aandoening nalezen (Nederlands Instituut voor Telemedicine, 2006). Ook zoeken patiënten zelf informatie over aandoeningen waaraan zij lijden op en vormen hier een mening over. Mensen raadplegen soms liever het internet dan de huisarts als het om diagnostiek gaat. Internet kan patiënten een actuele, onafhankelijke en wetenschappelijk gefundeerde second opinion bieden. De patiënt moet hierbij echter wel in staat zijn de kwaliteit van de informatie goed in te schatten. Een zorgverlener moet er ook achter staan, hij kan een patiënt bepaalde diensten of sites aanraden. Gezonde mensen en acuut zieken zoeken meestal informatie over ziekten voor henzelf of computerleken. Net zieken zoeken vooral welke zorgverlener hen kan helpen. Gezonde mensen zoeken bijvoorbeeld naar informatie over zaken die hen gezond houden of informatie over bepaalde specifieke zaken als zwangerschap, roken en overgewicht. Chronisch zieken zoeken vooral naar informatie over hun ziekte waarmee betere beheersing van de aandoening mogelijk is, zodat ze zoveel mogelijk een normaal leven kunnen leiden (Eysenbach et al., 2001).

Voor de benodigde educatie en training van een diabetes patiënt kan televoorlichting gebruikt worden. Het is voor chronisch zieken noodzakelijk levenslang kennis over de ziekte op te doen en deze kennis op pijl te houden. Dit kan ondersteund worden met behulp van moderne communicatiesystemen. Vooral computerondersteunend leren is een interessante mogelijkheid waarbij een patiënt informatie omtrent zijn aandoening kan opdoen. Asynchroon leren biedt daarbij veel vrijheid voor zowel de patiënt als de ‘leraar’. Men is onafhankelijk van plaats en het leren kan op een willekeurig tijdstip plaatsvinden. Daarnaast kan een patiënt op eigen snelheid door de informatie of lesstof gaan. Naast asynchroon kan computerbased training ook synchroon plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld via interactieve fora, chatrooms en virtuele communities plaats vinden. Patiënten kunnen behalve van experts ook veel van elkaar leren door elektronisch in contact te staan (virtual community). Door de interactie is de patiënt niet alleen een passieve toehoorder of toeschouwer maar is hij actief met kennis bezig. Door actief bezig te zijn, wordt informatie beter opgenomen en is het leerproces tevens een stuk interessanter voor de patiënt. Het leerproces moet vooral interactief, adaptief en geindividualiseerd zijn, dus op de persoonlijke situatie afgestemd. Een voorbeeld van computer based training is het ondervragen van een patiënt over zijn aandoening.

Telemonitoring

Telemonitoring kan een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van het herstelproces na een behandeling. Bij chronische ziekten is monitoren vaak het belangrijkste onderdeel van het zorgproces, het is in feite de behandeling zelf. Daarnaast kan telemonitoring gebruikt worden om de noodzaak tot wijziging van de behandeling in te schatten. Zo kan een patiënt normaal blijven functioneren zonder dat bezoek aan zorgverlener of opname in een ziekenhuis nodig is.

Een deel van de diabetespatiënten houdt al een dagboek bij. Dit gebeurt door middel van de papieren diabetespas of digitaal. Er bestaan verschillende applicaties voor het bijhouden van een elektronisch dagboek. Bij bepaalde bloedglucosemeters met een eigen geheugen wordt ook sofware geleverd waarmee de meter uitgelezen kan worden. Vaak is het mogelijk om in deze software ook andere diabetesgerelateerde gegevens bij te houden. Een andere optie die gebruikt wordt, is handmatig waarden in een spreadsheetprogramma of een applicatie bijhouden.

Teleconsultatie & telediagnose

Teleconsultatie en telediagnose hangen met elkaar samen, aangezien bij bijna elk consult een diagnose wordt gesteld. Het doen van een consult en diagnose op afstand kan bijvoorbeeld toegepast worden als een zorgverlener de ernst van een situatie wil kunnen inschatten. De uitkomsten kunnen gebruikt worden om de inrichting van de behandeling te veranderen of verbeteren. Wijst de uitkomst op noodzaak tot aanpassing van de zorg, dan kan besloten worden tot een fysiek consult. Consulten op afstand kunnen via de genoemde telemedicine technieken als telefoon, e-mail en videoconference plaatsvinden.

Naast telefonische consulten wordt e-mail hier ook steeds vaker voor gebruikt (Umefjord, 2006). Voordeel voor de patiënt is dat hij eenvoudig vragen bij een zorgverlener neer kan leggen. Dit kan als een patiënt na een bezoek aan een zorgverlener vragen heeft. Vaak is hij vergeten deze tijdens het bezoek te stellen of is iets toch niet goed begrepen. Door e-mail contact kunnen telefonische overbelasting en onnodige herhaalbezoeken worden voorkomen. Bovendien blijft er een geschreven document over de communicatie bewaard. Voorstanders wijzen er op dat e-mail beantwoorden tijdsbesparend kan zijn als het om eenvoudige vragen gaat. Daarnaast kan het tijdstip van beantwoording zelf worden gekozen. Zorgverleners zijn vaak sceptischer over e-mailcontact. Het zorgvuldig beantwoorden van e-mails kan tijdrovend zijn. Daarnaast ontbreekt het nogal eens aan goedgekeurde tarief- of regelgeving over e-consulten. Het College Tarieven Gezondheidszorg geeft aan dat een e-mailconsult niet in rekening kan worden gebracht tenzij deze duidelijk dient ter vervanging van een spreekuurconsult. Er is in Nederland een maximumtarief van €4,50 per e-mail consult vastgesteld. Dit bedrag kan alleen worden gedeclareerd in geval van een bestaande relatie, het geen eerste consult voor een aandoening is en de zorgverlener een overeenkomst heeft met de zorgverzekeraar voor het declareren van een e-mailconsult (Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie, 2006).

Uit een onderzoek blijkt dat beantwoording van e-mail consulten gemiddeld 4 minuten in beslag neemt (Boowitz et al., 1998). Hierbij kon 81% van de vragen van de patiënt beantwoord worden.

In Amerika is inmiddels een richtlijn voor e-mail correspondentie tussen arts en patiënt opgesteld. Deze richtlijn omvat de volgende punten:

·

maximale beantwoordtermijn 2 á 3 dagen

·

benadruk dat e-mail niet voor dringende zaken bedoeld is

·

wijs erop wie naast de arts de e-mail mogelijkerwijs nog meer kan zien

·

vraag om opgave van volledige naam en gegevens van de patiënt, een e-mail adres maakt dat niet altijd duidelijk

·

noem in het onderwerp de categorie van de vraag

Door e-mail consulten blijkt het aantal routinebezoeken aan een zorgverlener ook echt te verminderen (Larkin, 2000). E-mail consulting zal in toekomst waarschijnlijk flink toenemen. Om standaard vragen te voorkomen kan een zorgverlener op een website informatie zetten. Uiteraard is niet elk consult per e-mail mogelijk. De persoonlijke arts - patiënt betrekking moet in elk geval blijven bestaan.

Ook de andere behandelde telemedicine toepassingen kunnen helpen de diabetesketen effectiever en efficiënter te laten werken. Voor gewone vragen lijkt de telefoon nog het meest toepasbaar aangezien voor telefonische consulten tarieven zijn vastgesteld en mensen gewend zijn aan een telefoon. Voor de meeste andere toepassingen is nog geen tarief vastgesteld en deze zijn minder ingeburgerd. Daarnaast kan de telefoon functioneren als een fallback optie, mochten toepassingen tijdelijk niet functioneren.

Via chat kan een chatspreekuur gericht op diabetes type 2 naast het gewone diabetesspreekuur plaats vinden. Zaken als een voetconsult of de periodieke controles zouden op afstand uitgevoerd kunnen worden, zodat de patiënt de zorgverlener niet hoeft te bezoeken. Via video conferencing is dit bijvoorbeeld mogelijk. Nadeel is dat hiervoor goede apparatuur nodig is, vrij weinig diabetespatiënten en zorgverleners zullen dit thuis hebben waardoor flinke investeringen nodig zijn. Bovendien kan niet elke diagnose op afstand gedaan worden. Persoonlijke bezoeken van de patiënt blijven nodig om de situatie goed in te inschatten, dit is op afstand niet altijd te doen. Videoconferencing lijkt daarmee niet direct een groot voordeel voor de diabetesketen te zijn. De kans bestaat dat men meer tijd aan het werken met de techniek kwijt is dan wenselijk is.

Van de asynchrone toepassingen lijken e-mail en datatransport het meest nuttig. Het elektronisch uitwisselen van diagnose en therapeutische data over afstand vindt plaats tussen patiënt en zorgverleners en zorgverleners onderling. Dit gebeurt bij het bijhouden van het patiëntdagboek als onderdeel van het gezondheidsdossier en als zorgverleners informatie uit het dossier van een patiënt opvragen. Voordeel voor de patiënt is dat hij niet telkens contact hoeft te hebben of langs hoeft te komen als een zorgverlener inzicht in gegegevens nodig heeft. Voor e-consult is inmiddels ook een tarief vastgesteld. Dit is belangrijk om zorgverleners enthousiast te krijgen voor de toepassingen. Technologie loopt vaak voor, waarbij het vaststellen van een tarief pas gebeurt als er veel gebruik van een toepassing gemaakt wordt. Vooral voor de diabetesverpleegkundige en de diëtist is e-mail contact met de patiënt handig. Zij hebben vaak een (tijdelijk) intensief contact met de diabetespatiënt. Daarbij kan het handig zijn om bepaalde zaken per e-mail te regelen, zodat de patiënt niet telkens langs hoeft te komen. Voor een internist en huisarts zal er waarschijnlijk minder behoefte zijn aan contact per e-mail. Vaak zijn er slechts enkele contactmomenten per jaar en zij zijn niet alleen met diabetespatiënten bezig.

Vergroten eigen verantwoordelijkheid van de patiënt

(patiënt empowerment)

ICT toepassingen kunnen gebruikt worden om de eigen verantwoordelijkheid van de patiënt bij het controleren van zijn/haar ziekte te vergroten (patient empowerment). De patiënt is zelf verantwoordelijk voor het verloop van zijn leven met de aandoening. Het vergroten van de betrokkenheid van de patiënt bij een chronische ziekte als diabetes type 2 kan veel baat hebben. Door goed toezicht en het gestructureerd bijhouden van gegevens daalt de kans op complicaties en blijft bijvoorbeeld het bloedglucoseniveau stabieler. De patiënt kan meer betrokken worden bij diabeteszorg door actieve ondersteuning van de zelfcontrole, zelfregulatie en educatie.

ICT als actieve ondersteuning voor zelfcontrole

Van de zelfcontrole houdt de patiënt een elektronisch dagboek bij met allerlei gezondheidsrelevante informatie en meetwaarden. Door meetwaarden, spuitschema van insuline en bloedglucosewaarden structureel bij te houden in een dagboek dat gekoppeld wordt aan het elektronische gezondheidsdossier, kunnen gegevens gelijk digitaal beschikbaar zijn voor een zorgverlener. Bij het invoeren door de patiënt kan het systeem feedback geven op ingevoerde waarden. Zo weet een patiënt direct of de ingevoerde waarden goed of slecht zijn, in plaats van dit te horen bij een consult of controle bij een zorgverlener. Er kan sneller gealarmeerd en ingegrepen worden, waardoor complicaties verholpen kunnen worden. Door de directe feedback weet een patiënt veel beter hoe de ziekte verloopt, of streefwaarden gehaald worden en wat aan problemen gedaan kan worden. Uit de gegevens ontstaat een duidelijk beeld over het verloop van de waarden gedurende de tijd. Door op afstand de patiënt te monitoren, krijgen zorgverleners hier zicht op en kunnen zij de behandeling beter afstemmen, of tijdig ingrijpen. Een diabetespatiënt is niet altijd in de directe omgeving van een computer om de waarden in te vullen. Dit is ook niet nodig. De gegevens kunnen eerst op papier bijgehouden worden, waarna ze bijvoorbeeld één keer per dag ingevoerd worden. Een andere mogelijkheid is een PDA of de gegevens bijvoorbeeld per sms doorsturen, waarna ze aan het dossier toegevoegd kunnen worden. Dit dossier is voor de patiënt via internet te benaderen, waardoor het altijd toegankelijk is. Toegang tot het persoonlijke dossier gaat bij voorkeur via internet (Programma IZIT innovatie van zorg door ICT in Twente, 2004).

Bloedglucose meters kunnen ook een geheugenfunctie hebben en gekoppeld worden aan een computer, zodat de waarden automatisch doorgegeven worden. Het automatisch doorgeven kan via een willekeurig medium, bijvoorbeeld door rechtstreekse aansluiting op een computer. Dit kan ook via draadloze technologie waarbij gegevens automatisch gesynchroniseerd worden als de patiënt in de buurt van een computer is. Idealiter wordt het bloedglucosegehalte continu gemeten door een glucosemeter, waarmee er een compleet historisch overzicht is. Aan een overvloed aan gegevens heeft een zorgverlener echter niet direct behoefte. Het gaat vooral om het verloop en de te hoge of te lage waarden in combinatie met de omstandigheden van deze waarden, zoals genuttigd eten en bezigheden.

ICT als actieve ondersteuning voor zelfregulatie

Bij het gebruik van insuline zou een koppeling tussen een insulinepomp (apparaat dat insulinehoeveelheden in het lichaam van de patiënt kan spuiten) en een bloedglucosemeter ideaal zijn. De pomp kan dan direct reageren op de metingen van de glucosemeter, waardoor de pomp niet handmatig ingesteld hoeft te worden. Dit bespaart de patiënt en zorgverlener tijd en moeite en kan verkeerde bloedglucosewaarden voorkomen.

Met meer verantwoordelijkheid omgaan zal niet voor elke diabetespatiënt weggelegd zijn. Waarschijnlijk zullen er altijd patiënten zijn die zichzelf niet verantwoordelijk voelen en niet de motivatie kunnen opbrengen om te helpen hun aandoening beter in de hand te houden. De verantwoordelijke zorgverlener kan dit het beste inschatten. Eventueel kunnen beloningen ingesteld worden, waarmee een actieve houding ten opzichte van diabetes gemotiveerd wordt.

ICT als actieve ondersteuning voor educatie

Leren omgaan met diabetes is voor een patiënt een belangrijke stap. Elke zorgverlener helpt een stukje mee aan de educatie van de patiënt. De diabetesverpleegkundige of praktijkondersteuner is voor de educatie in de meeste gevallen de belangrijkste partij, maar ook andere zorgverleners helpen mee. De patiënt wordt uitgelegd wat diabetes inhoudt, hoe hij er mee om kan gaan en wat wel en niet kan. Ook leert de patiënt het bloedglucose te meten en eventueel met insuline om te gaan. Dit gebeurt in gesprekken en door het meegeven van informatie. Veel informatie zou een diabetespatiënt echter ook zelf kunnen opdoen, ondersteund door telelearning. Via kenniswebsites en professionele informatie kan de patiënt over diabetes type 2 leren en testen of zijn kennis voldoende is. Belangrijk hierbij is de kwaliteit van de aangeboden informatie. Door deze informatiesites in combinatie met zorgverleners te realiseren, is men zeker van juiste informatie van goede kwaliteit. De belangrijkste informatie zal nog wel persoonlijk met de patiënt doorgenomen moeten worden. Een zorgverlener kan hierbij de inschatting maken of de patiënt in staat is zelf de verder benodigde kennis op te doen.

Het opzetten van informatieprogramma’s en websites voor televoorlichting kost tijd. Indien hiermee echter veel standaardvragen voorkomen kunnen worden, verlaagt dit de druk bij de zorgverleners. Voordeel voor de patiënt is dat hij in zijn eigen tempo en tijd kennis kan opdoen. Hij is niet gebonden aan vaste spreekuren of kantooruren. Het leren van andere diabetespatiënten en zorgverleners kan via de synchrone en asynchrone communicatietechnieken. Patiënten met een chronische ziekte blijken de behoefte te hebben om in contact met lotgenoten te komen, waarmee op een andere manier over de ziekte kan worden gesproken dan met zorgverleners. Ook professionals kunnen via de verschillende communitiemogelijkheden van elkaar leren, complexe situaties bespreken en zorg onderling af stemmen.

Patiënten gaan steeds meer zelf op zoek gaan naar informatie. Een centrale diabeteswebsite waarop de belangrijkste informatie te vinden is kan daar een belangrijke rol bij spelen. Op deze website kunnen bijvoorbeeld nieuws en toepassingen op diabetesgebied, informatie over Diabetes Mellitus type 2 en links naar andere interessante websites geplaatst worden. Bijvoorbeeld regioverenigingen en medicatie- en hulpmiddelenleveranciers. Een diabetesforum kan een onderdeel van deze website zijn. Een dergelijk forum lijkt een interessante en eenvoudig te realiseren toepassing, waar diabetespatiënten met elkaar in contact kunnen komen. Fora op internet hebben een lage toegangsdrempel en toezicht door zorgprofessionals is te regelen.

Websites en fora vereisen een actieve zoektocht naar informatie. Om de minder actieve patiënt toch op de hoogte en betrokken te houden, kan bijvoorbeeld af en toe een diabetesnieuwsbrief per e-mail verstuurd worden. Contact via nieuwsgroepen, mailinglists of instant messaging is tegenwoordig aardig ingeburgerd en gemakkelijk te realiseren. Bij voorkeur gebeurt dit onder toezicht van zorgprofessionals, die adviezen of tips kunnen geven. Bij al deze toepassingen geldt dat de persoonlijke relatie tussen zorgverlener en patiënt moet blijven bestaan. ICT mag geen vervanging worden, maar kan de diabeteszorg wel ondersteunen en lasten flink verlichten. Computer en webbased training lijken daarbij goed toepasbaar.

Aanleiding onderzoek

Uit onderzoek blijkt dat ICT tot nu toe vooral ingezet wordt om medische gegevens uitwisseling te bevorderen, zodat complicaties voorkomen kunnen worden. Het blijkt dat de meeste toepassingen gericht zijn op de fase waarin al sprake is van diabetes en dat ze vooralsnog niet gerelateerd zijn aan ondersteuning van zelfmanagement vanuit het perspectief de patiënt/cliënt. Veelal is sprake van een dossier dat registratie en beheer van eigen gegevens mogelijk maakt en dat gekoppeld is aan aanbodgerichte serviceverlening (bv. diavitaal). Tevens blijkt dat de keuze van de digitale media niet gebaseerd is op de behoefte van de gebruikers en de inpasbaarheid ervan in de leef/werkomgeving. Hoewel de meeste toepassingen interactiviteit nastreven, blijkt dat in de praktijk dit nog niet effectief gerealiseerd is. Ook blijkt dat zowel medische als gedragsmatige doelen nagestreefd worden met ICT toepassingen in de zorg, echter de effecten ervan zijn op het niveau van gedrag nauwelijks aantoonbaar door de opzet van de studies. Uiteindelijk valt het gebruik ervan in de praktijk tegen.

Een van de punten waarop de huidige ICT toepassingen tekort schieten is de implementatiestrategie. De marketing is onvoldoende gericht op werving onder potentiële doelgroepen en op het gedrag van gebruikers en ‘afvallers’. Strategieën om de gebruiker te binden aan de ICT toepassing zijn van belang om uitval tegen te gaan. De huidige digitale toepassingen zijn (inter)nationaal vaak vertalingen van folders, brochures en niet toegesneden op etnische achtergrond, leeftijd, opleidingsniveau en fase van diabetes. Ten behoeve van motivatie dient gebruik van internettoepassingen gericht te zijn op e-learning, entertaining, affectie en tot beloning te leiden.

Achtergrond onderzoek

Het onderzoek naar het gebruik van ICT ten behoeve van diabeteszorg maakt deel uit van het e-health onderzoeksprogramma aan de Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen. Het onderzoek is gericht op de rol van Internet en andere ICT toepassingen ter ondersteuning van de zorg. De vragen die gesteld worden zijn: Hoe kan via ICT de patiënt/cliënt bewust worden van mogelijke gezondheidsrisico’s die zich op latere leeftijd of in een later stadium van een ziekte kunnen manifesteren? Hoe kan ICT gebruikt worden om patiënt/cliënt beter te leren omgaan met zijn gezondheidsprobleem? Hoe kan de interactie tussen patiënt/cliënt en zorgverleners via ICT bevorderd worden? Welke kwaliteitseisen stellen zorgverzekeraars, zorgverleners, de cliënten of patiënten aan de zorgverleningen in welke mate kunnen ICT toepassingen hieraan voldoen?

Het kader in tabel 1 dient als basis voor de te ontwikkelen en te implementeren ICT toepassingen en is gebaseerd op eerder onderzoek (Nijland et al., forthcomingh) en op vernieuwde inzichten voor effectief gebruik van (next generation; putting public in e-health) technologie in de gezondheidszorg.

Het onderzoek beoogt technologie dicht bij de patiënt/cliënt te brengen, in het kader van regionaal diabetescentrum in de buurt (conform beleid VWS). Onderzoek naar diabetes richt zich op vroegtijdige signalering van risicofactoren, op bewustwording van risicovolgend/vermijdend gedrag en op de mate waarin zelfmanagement bereikt kan worden in het geval dat er sprake is van diabetes. Het aantal personen in Nederland waarbij diabetes is vastgesteld, ligt op 16 per 1000, ongeveer 85-90% van de diabeten staan in de huisartspraktijk onder controle. Er zijn ongeveer evenveel mannen als vrouwen met diabetes. De aandoening stijgt met de leeftijd van 3% bij 50-54 jarigen tot 16% bij de 70-74 jarigen (NHG-Standaard Diabetes Mellitus type 2). Vroegtijdige opsporing en preventie van complicaties zijn essentiële elementen in de diabeteszorg.

Plan van aanpak

Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van projecten waarbij een of meerdere onderdelen van het Electronic Care Model (Tabel 1) centraal staan. De uitkomsten leiden tot aanscherping van het model.

Bijlage

Project Diabetescoach

Project E-consultatie

Tabel 1. Electronic care model (under construction)

System

Service

Management of care

Marketing

Feasibility

·

Navigation

·

Access

·

Reliability

Commoditized

·

communication

·

cooperation

·

collaboration

New care delivery paradigm

·

integrated care

·

community resources

·

collective vs individual

Consumerized

·

education/training

·

loyalty/incentives

·

e-care packages

(segmentation)

·

prosumer/patient

Proactive models

·

adaptive

·

interactive

·

intuitive interface

·

cross-media

Control of care

·

personalized to ways of thinking and acting and characteristics groups at risk (cardiovascular)

·

triage content (urgency)

·

reminders and feedback

Infrastructure

·

reimbursement

·

conducive policy

·

work process (triage personnel)

Value based

·

utilization

·

avoiding costs

·

WTP

Affective (personal)

·

entertaining

·

educating

·

engaging

·

emotional

Coping, adherence

·

self consciousness

·

self efficacy; collective efficacy

·

confidence

Regulations

·

guidelines, standards

 

Diabetescoach: a web-based diabetes support programme (disease management tool) (Concept januari 2007)

Inleiding

Diabetes Mellitus

Diabetes Mellitus is een progressieve chronische ziekte waarvoor wel behandeling, maar nog geen genezing bestaat. Diabetes is in Nederland één van de meest voorkomende chronische aandoeningen. Het is qua morbiditeit (ziekmakend) en mortaliteit (sterfte) een ernstige ziekte waarvan de medische, sociale en economische gevolgen groot zijn. Deze problematiek zal de komende jaren door een sterke toename van de ziekte kunnen escaleren, indien er geen verbetering komt in de zorg voor mensen met diabetes.

Er zijn twee hoofdvormen van Diabetes, te weten: type 1 en type 2. Beide vormen nemen snel in aantal toe. Bij type 1 zijn de redenen hiervoor niet bekend. De toename van de meest voorkomende vorm, type 2, komt door vergrijzing van de bevolking alsmede door veranderde leef- en eetgewoontes. In Nederland komen er jaarlijks zo'n 60.000 mensen bij (http://www.rivm.nl/nationaalkompas). Opvallend is dat ook het aantal kinderen en tieners met diabetes toeneemt. Er zijn daardoor steeds meer mensen met diabetes die goede diabeteszorg nodig hebben.

Bij diabetes kunnen op termijn ernstige complicaties ontstaan aan hart- en bloedvaten, ogen, nieren en voeten. Tijdige herkenning en goede diabeteszorg zijn van het grootste belang ter voorkoming van deze complicaties. Voor elk gediagnosticeerd mens met type 2 diabetes is er nog iemand bij wie de diagnose nog niet gesteld is, maar de ziekte al wel bestaat en complicaties zich ontwikkelen. Het aantal gediagnosticeerde mensen dat insuline of tabletten voor de glucoseregeling gebruikt wordt op dit moment geschat op ruim 400.000 (http://www.rivm.nl/nationaalkompas). Dit is exclusief mensen met diabetes die alleen een dieet gebruiken en exclusief diegenen bij wie de diagnose nog niet is gesteld. Diabetes neemt daarmee epidemische vormen aan (http://www.diabetesfederatie.nl).

Diabetesbehandeling

Standaardcontroles

Er zijn een aantal standaardcontroles voor mensen met diabetes. Dit zijn de driemaandelijkse en de jaarlijkse controle (Rutten et al., 2006). De driemaandelijkse controle wordt uitgevoerd door de huisarts, internist praktijkondersteuner of diabetesverpleegkundige. Vaak wordt de driemaandelijkse controle door de huisarts of internist aan een diabetesverpleegkundige overgelaten (Linthorst, 2006). Bij de controle wordt het bloedsuikergehalte van de patiënt gemeten, wordt hij gewogen en wordt eventueel de bloeddruk gemeten. Naast deze metingen wordt er gevraagd hoe het met de patiënt gaat, of er bijzondere verschijnselen zijn en is er ruimte voor vragen over voeding, dieet of medicijnen. Naast registratie van de gemeten waarden zal er dus ook behoefte zijn om bijzonderheden die hierbij naar voren komen te noteren. Deze kunnen namelijk ook voor andere zorgverleners van belang zijn.

De jaarlijkse meting wordt door de huisarts, internist, praktijkondersteuner of diabetesverpleegkundige uitgevoerd. In de praktijk wordt de uitvoering van de jaarcontrole op verschillende manieren ingevuld. Een internist neemt deze taak bijvoorbeeld op zicht om elke patiënt toch minimaal één keer per jaar te zien, of de diabetesverpleegkundige of praktijkondersteuner voert naast de driemaandelijkse controle ook deze controle uit waarna de hoofdverantwoordelijke nog even kort met de patiënt spreekt (Linthorst, 2006). Bij de jaarcontrole is naast de driemaandelijkse punten extra aandacht voor klachten die vaak bij diabetici voorkomen. Naast bovengenoemde metingen wordt bij de jaarlijkse controle standaard de bloeddruk gemeten. Ook wordt het bloed gecontroleerd op glucose, cholesterol en creatine. De urine wordt gecontroleerd op eiwit en er wordt een voetonderzoek gedaan.

Bij de controles besteedt de zorgverlener aan­dacht aan klachten, de glucose­regulering, het risi­coprofiel en het tijdig opsporen van complicaties. Bij beide periodieke controles wordt geïnformeerd hoe het met de patiënt gaat en of er verschijnselen van complicaties of andere problemen zijn. Tevens worden een aantal meetwaarden bepaald. Bij de jaarlijkse controle is er uitgebreidere aandacht voor de leefstijl. Heeft een patiënt tussendoor geen klachten, dan is enkel driemaandelijkse en jaarlijkse controle voldoende.

Voorlichting & educatie

Na diagnose van Diabetes Mellitus moet een patiënt voorlichting krijgen over wat diabetes type 2 inhoudt, wat het betekent om diabetespatiënt te zijn en wat de patiënt wel en niet kan doen. Daarnaast krijgt hij persoonlijke leefstijladviezen om streefwaarden te halen. Dit zijn vooral individuele adviezen. De voorlichting en educatie zal algemener van aard zijn.

Zelfcontrole en zelfregulatie

Het is voor een diabetespatiënt belangrijk de bloedglucosespiegel zo stabiel mogelijk te houden door een combinatie van dieet en bewegen en medicatie. Zelfcontrole kan hierbij een grote rol spelen. ‘Zelfcontrole is het meten en registreren van het eigen bloedglucosegehalte door een persoon met Diabetes Mellitus (Werkgroep zelfcontrole van het bloedglucosegehalte van het NDF, 2003)’. Zo kan de patiënt thuis de diabetes monitoren en onder controle houden. Ter ondersteuning kan de diabetespatiënt het diabetesdagboek bijhouden. Hiermee kunnen de patiënt zelf en de zorgverleners het verloop van de ziekte goed in de gaten houden. Het gaat de zorgverlener vooral om het gemiddelde bloedglucose en eventuele trends hierin. Tijd om uitgebreide overzichten door te nemen is er vaak niet. Behaalt de patiënt constant het niveau van de persoonlijke streefwaarden, dan kan met minder frequente zelfcontrole voldaan worden.

De resultaten van zelfcontroles die mensen met diabetes verrichten worden vervolgens vooral gebruikt om de medische behandeling en aanpassingen hierin te toetsen. Hierbij gaat het ondermeer om het bepalen en aanpassen van de insulinedosis, de soort insuline en verdeling van het gebruik. Daarnaast is het mogelijk dat met de uitkomsten voedingsvoorschriften worden geëvalueerd en aangepast en bijvoorbeeld het effect van meer lichaamsbeweging bekeken worden. Zo kan inzicht worden gekregen in het verloop van het ziektebeeld.

Naast zelfcontrole bestaat er zelfregulatie. Zelfregulatie houdt eveneens het meten en registreren van het bloedglucosegehalte in, maar gaat hierin een stap verder. Bij zelfregulatie kan een patiënt namelijk ook zelf zijn behandeling aanpassen op basis van de meetuitkomsten. Het kan ook zo zijn dat een persoon om bepaalde (medische) redenen geen zelfcontrole kan uitvoeren. In dit geval kan de zelfcontrole bijvoorbeeld door een mantelzorger uitgevoerd worden. Door zelfcontrole kan het gebruik van extra medicatie, bijvoorbeeld insuline, uitgesteld worden. Daarnaast kunnen complicaties voorkomen of uitgesteld worden en wordt zo de kwaliteit van leven van een patiënt verbeterd. Zelfcontrole dient gestructureerd plaats te vinden en geregistreerd te worden inclusief datum en tijdstip van de meting en eventuele bijzondere factoren, zoals gebruik van medicijnen of grote inspanningen. De frequentie van zelfcontrole of -regulatie hangt af van de behandeling. In theorie zou continu meten ideaal zijn, omdat op deze manier een geheel beeld van het verloop van de bloedglucosespiegel te zien is. In praktijk hangt de meetfrequentie samen met doelstellingen van de zelfcontrole. Vooral een arts en diabetesverpleegkundige hebben behoefte aan gestructureerde meetgegevens van een diabetespatiënt. De tijdstippen van meting gedurende de dag zijn hierbij belangrijk. Dit zijn bijvoorbeeld metingen voor een maaltijd, voor het slapen of een nachtwaarde. Daarom wordt vaak per dag, één keer per week of één keer per twee weken een registratie van vier of acht meetpunten op een dag gedaan (Werkgroep zelfcontrole van het bloedglucosegehalte van het NDF, 2003).

Bovenstaande geldt voor insuline gebruikende mensen. Voor mensen met diabetes type 2 die orale middelen gebruiken is geen eenduidige frequentie bepaald. Indien men de diabetesregeling wil verbeteren, kan het doen van bloedglucosemetingen echter een motiverend en positief effect hebben op de glucoseregulatie.

Zelfcontrole en zelfregulatie zijn echter niet voor alle patiënten toepasbaar. Er zijn bovendien een aantal nadelen aan zelfcontrole verbonden. De huidige manier van meten is niet ideaal. Om een zelfcontrole te kunnen uitvoeren, moet een patiënt een druppel bloed prikken. Regelmatig meten is daarom geen leuke bezigheid. De controle moet tevens nauwkeurig uitgevoerd worden, anders kan de meting onbetrouwbaar zijn. Een ander nadeel is dat alleen patiënten die insuline gebruiken, de kosten voor een bloedglucosemeter en teststrips vergoed krijgen. Voor patiënten die medicatie of een dieet gebruiken, levert zelfcontrole ook nuttige informatie om de diabetes onder controle te houden. Zij moeten hiervoor echter kosten maken wat het regelmatig controleren niet stimuleert. Een flink aantal patiënten voert geen zelfcontrole uit. Enkel bij de driemaandelijkse en jaarlijkse controle ziet deze groep patiënten hoe zij er voor staan en hoe het verloop in glucosegehalten is. Dit bevordert de therapietrouw en het actief omgaan met de eigen verantwoordelijkheid niet.

De diabetespas

Elke diabetespatiënt kan gebruik maken van een diabetespas. Dit is een papieren boekje waarin gegevens over de patiënt en de geleverde zorg worden bijgehouden. Een patiënt kan zelf in de pas metingen bijhouden en de pas meenemen naar de verschillende zorgverleners die hij bezoekt. Deze pas is ontwikkeld op basis van de NHG-standaard Diabetes Mellitus type 2 (http://nhg.artsennet.nl) en de NDF-richtlijnen (http://www.diabetes-federatie.nl). De diabetespas wordt nog niet algemeen gebruikt binnen de diabeteszorg in Nederland. In sommige praktijken gebruiken bijna alle patiënten het, terwijl andere patiënten deze pas (bijna) niet gebruiken. Met de pas kan een diabetespatiënt zelf bijdragen aan de diabeteszorg door eigen metingen te registreren en bij te houden of de vaste controles daadwerkelijk plaatsvinden. Hiermee is de diabetespas een belangrijke basis voor kwaliteitsbeleid. Zonder de diabetespas heeft enkel de zorgverlener inzicht in controlefrequenties en therapietrouw en is de bijdrage van de patiënt aan de zorg vaak minder structureel.

Figuur 1. Twee bladzijden uit de diabetespas

Voor de patiënt geeft het gebruik van de diabetespas dus een overzicht van het verloop van de ziekte. Deze registratie is voor de behandelende specialisten echter ook zeer belangrijk om goede zorg te kunnen verlenen en de zorg van verschillende partijen op elkaar af te stemmen. Het is daarmee een goed instrument om de zorgverlening tussen de verschillende zorgverleners af te stemmen. Patiënt en behandelaar kunnen gegevens, adviezen en resultaten inzien. Daarnaast is het bij onverwachte opname of zorg door een andere, niet-standaard zorgverlener handig als men de diabetespas bij zich heeft. In de diabetespas is ruimte voor de volgende gegevens:

·

Algemene patiëntgegevens

·

Gegevens van zorgverleners waarvan gebruik gemaakt wordt

·

Uitslagen van bloedglucosemetingen

·

Ziekenhuisbezoeken

·

Aantekeningen van diabetesteam

·

Medicatiegebruik en voorschriften

·

Periodieke controles

En in geval van insulinegebruik:

·

Het soort insuline, tijdstip van spuiten en locatie op het lichaam

De rol van ICT in diseasemanagement: de Diabetescoach

In het theoretisch kader is uiteengezet hoe ICT een ondersteunende rol kan spelen binnen de zorgverlening bij chronische ziektes, zoals diabetes. Er zijn reeds diverse ICT-toepassingen in omloop en in ontwikkeling gericht op disease management. Op dit moment wordt door Medicinfo gewerkt aan de ontwikkeling en implementatie van een digitale versie van de diabetespas: de Diabetescoach. De Diabetescoach is een getailorde internetinterventie voor diabetespatiënten en dient als aanvulling op de standaardcontroles.

Beschrijving van de Diabetescoach

De Diabetescoach is een applicatie die draait binnen de website: http://diabetescoach.twatest.infosupport.net. De website geeft een welkomstwoord en een verwijzing naar de applicatie: de Diabetescoach. De Diabetescoach heeft twee ingangen: een ingang voor de patiënt en een ingang voor de behandelaar. De patiëntkant van de Diabetescoach bevat de volgende onderdelen: Uw persoonlijke leefstijlcoach; Mijn gegevens; Meetgegevens; Vraag & antwoord; Meer weten over; Kalender.

§

Uw persoonlijke leefstijlcoach: It is always difficult to motivate patients to change their habits and that they needed support. Therefore, Medicinfo has developed the Lifestyle coach. In this item the nurse can offer each individual patient different tools and applications, which support the patients in their personal needs. The tools and applications support the patient in an attractive way in their lifestyle changes or helps them to get aware of their personal situation and what to do to improve.

§

Mijn gegevens: Dit onderdeel bevat de persoonlijke gegevens van de patiënt.

§

Meetgegevens: Binnen deze module hebben patiënten de mogelijkheid om handmatig waarden in een spreadsheetprogramma of een applicatie bijhouden (Telemonitoring). BMI-meter: weight is a problem for most diabetes patients. Within ‘measurements’ patients can register their blood glucose level, weight, and other values. These values have to be between certain margin levels. The nurse can adjust these margin levels according to the individual patient. The BMI-meter gives information about weight. Patients can fill in their weight, and the BMI-meter immediately if the weight is right, or if it needs improvement. The waist size is also added because it’s used by nurses as a signal for preposition of diabetes.

§

Vraag & Antwoord: Binnen deze module hebben patiënten de mogelijkheid om in een beveiligde omgeving een vraag te versturen via e-mail naar hun eigen diabetesbehandelaar (Teleconsultatie).

§

Meer weten over: Binnen deze module wordt aan patiënten informatie en/of educatie verstrekt over leefstijlfactoren, zoals gezonde voeding en voldoende beweging (Televoorlichting).

§

Kalender: It is important to have a place where the nurse and the patient can write down their comments. The nurse writes down her advice, the patient writes down special circumstances. There’s also space to fill in the appointments with the nurse, GP or dietician. The patient sees in the calendar also his goals, e.g. how many kilo’s he has to loose in a certain period. The notes in the calendar can be used to discuss during the regular consultation.

Onderdelen van de Diabetescoach gericht op de behandelaar: The Diabetes Coach also has a nurse version. It’s important that the nurse has an overview: in this pass she can see the results of all of her patients. She immediately sees who’s at risk and who are doing all right. She can get reports regularly (per day, per week, just as she wants). The nurse can adjust the pass to the individual patient. She can set the alerts for the measurements, she can decide which items have to be shown (for instance: if a patient only has to fill in his weight and doesn’t control his blood glucose, than the item isn’t shown in his pass). It’s also possible for her to send messages to a single person or to all of her patients. She can give advice, set goals and make appointment, using the same calendar as the patient does.

Doelstelling van de Diabetescoach

De Diabetescoach heeft drie belangrijke doelstellingen. Allereerst is het instrument gericht op verandering van de leefstijl van diabetespatiënten door e-learning (Televoorlichting). Ten tweede is het instrument gericht op het bevorderen van preventie (voorkoming van complicaties) door het monitoren van gegevens (Telemonitoring). Dat betekent dat het voorziet in kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor zelfmanagement van diabetes. Bij vaardigheden ligt het accent op zelf de regie nemen (zelfmanagement), aangepast aan de mogelijkheden en wensen van de patiënt. Ten derde is het instrument gericht op het bevorderen van de communicatie tussen patiënt, thuis/leeromgeving, en hulpverleners.

Onderzoek naar de toegevoegde waarde van de Diabetescoach

Aanleiding van het onderzoek

In 1998 is in Nederland door de Nederlandse Diabetes Federatie (NDF) de Diabetespas (een PHR) uitgebracht. In de Diabetespas is ruimte voor norm- en individuele streefwaarden, uitslagen uit de driemaandelijkse en jaarlijkse controle, vrije tekst en er zijn een aantal kernbegrippen uitgelegd (educatie). Anders gezegd, de Diabetespas biedt inzicht over de uit te voeren benodigde handelingen (het volgen van de richtlijnen) en de streefwaarden, waarmee het instrument de preventieve zorg probeert te verbeteren door zich te richten op zowel de zorgverlener als de patiënt. De verspreiding is tot nu toe niet optimaal verlopen. Uit tweedelijns diabetesonderzoek (WOK) blijkt dat deze pas wordt gebruikt door slechts 15% van de patiënten (Bron, ZonMW). De vraag die opkomt, is welke gebruikers deze 15% zijn, maar ook welke potentiële gebruikers gemist worden. En digitale ondersteuning van de zorgverlening aan chronisch zieken vereist meer dan de mogelijkheid tot registratie van gegevens, de huidige digitale passen zijn niet vanuit de gebruikersbehoefte opgezet en in niet gericht op interactiviteit (wat iets anders is dan ophalen en doorsturen van gegevens). Ook uit praktijkevaluatie (zorgdossier Thuiszorg Midden Brabant) komt naar voren dat voor optimaal gebruik van zelfzorgsystemen digitale voorzieningen aangepast moeten zijn aan de gebruikers (qua semantiek, qua functionaliteit).

Doelstelling van het onderzoek

Doel van het onderzoek is inzicht te verkrijgen in de toegevoegde waarde van de digitale Diabetescoach. Het onderzoek zal bestaan uit twee fases: (1) een explorerende fase, en (2) een toetsende fase. In de explorerende fase van het onderzoek staan de gebruikers, de gebruikersbehoeften en de gebruiksvriendelijkheid van het systeem centraal. Aan de hand van een pilot wordt het feitelijk gebruik van de Diabetescoach geobserveerd en geregistreerd. In de toetsende fase wordt gekeken naar de effectiviteit van het instrument.

Opzet pilotstudie: Observatie van het gebruik van de Diabetescoach (Explorerende fase)

Vraagstelling

In deze fase van het onderzoek staat de functionaliteit (doeltreffendheid, bruikbaarheid) en acceptatie van de Diabetescoach door patiënt en behandelaar centraal. Meer concreet wordt een antwoord gezocht op de volgende vragen:

§

Aan welke eisen moet de Diabetescoach voldoen volgens de gebruikers (patiënten en professionals)?

§

Wat zijn de behoeften van patiënten als het gaat om zorgverlening via de Diabetescoach?

§

Hoe/in welke mate wordt de Diabetescoach (onderdelen ervan) daadwerkelijk gebruikt?

§

Hoe verloopt het interactieproces tussen patiënten en professionals via de Diabetescoach?

Methode & procedure

Een antwoord op deze vraagstelling wordt verkregen door observatie van het feitelijke gebruik van de Diabetescoach in de werk-/leefomgeving van de respondent. Aan een geselecteerde groep patiënten wordt een aantal situatieschetsen voorgelegd, waarbij hard-op-denkend (Thinking Aloud Techniek) gebruik gemaakt wordt van de Diabetescoach. De observatie wordt via video en audio-opnamen geregistreerd. Aansluitend op de observatie wordt een aantal vragen gesteld over de ervaren belemmeringen en mogelijke oplossingen. Voor de gebruikerstest wordt volstaan met 10-20 patiënten en 5 behandelaars. De respondenten worden geworven op basis van vrijwillige deelname. Er wordt daarom gesproken van een convenience sample. Een praktijktest duurt maximaal 1,5 uur per respondent. Bijlage X bevat een opzet van de gebruikerstest.

Opzet Cohortstudie: Onderzoek naar de effectiviteit van de Diabetescoach (Toetsende fase)

Vraagstelling

§

Wat is het effect van de Diabetescoach op het kennisniveau van de patiënt?

§

Wat is het effect van de Diabetescoach op eigeneffectiviteit/zelfmanagement vaardigheden van de patiënt?

§

Wat is het effect van de Diabetescoach op de tevredenheid van de patiënt over de diabeteszorg?

§

Wat is het effect van de Diabetescoach op de kwaliteit van leven van de patiënt?

§

Wat is het effect van de Diabetescoach op het behavioural outcomes? (gedragsdeterminanten & feitelijik gedrag: voeding en beweging, ‘therapy adherence’)

§

Wat is het effect van de Diabetescoach op clinical outcomes? (meetwaarden)

Theoretisch kader

§

Weinig onderzoek naar effect van diabetesinterventies op verandering van gedrag(sdeterminanten) (Farmer et al., 2005)

Nulmeting

Gegevens verzamelen (zie Tabel X).

§

Via HIS

§

Via online vragenlijst (na inloggen op de Diabetescoach), of papierenversie meegeven op informatie-avond

Methode & Procedure

Onderzoeksdesign: Cohort

Duur van de studie: 6md-12mnd

Opmerking: naar aanleiding van resultaten pilot (gebruikersonderzoek) kan worden bepaald of een cohortstudie mogelijk is. Indien te weinig gebruik wordt gemaakt van de Diabetescoach, zal geen effectmeting plaatsvinden.

Tabel X. Gegevens voor Nulmeting

(On)afhankelijke variabelen

Wat te meten?

Hoe te meten?

Demografische gegevens

§

Geslacht

§

Leeftijd

§

Opleidingsniveau

§

Status

§

Nationaliteit

§

Werksituatie

§

Woonsituatie

§

HIS

§

HIS

§

HIS

§

HIS

§

HIS

Patiëntkenmerken

§

Gewicht/BMI

§

Duur Diabetes

§

Duur Behandeling

§

Medicatiegebruik

§

Medische consumptie

§

Life-style kenmerken

§

Karaktertrekken

§

Computer vaardigheden

§

HIS

§

HIS

§

HIS

§

HIS

§

HIS

§

Depressieschaal

§

E-Health Literacy scale

Determinanten van gedrag & gedrag (behavioural outcomes)

§

Attitude

§

Kennis

§

Eigeneffectiviteit

§

Sociale invloed

§

Intentie

§

Feitelijk gedrag: voeding en beweging

 

Metabolische waarden

(Clinical outcomes)

§

Hb-waarden

§

Cholesterol

§

Lipid profiles

§

Comorbiditeit/vasculair risico

§

HIS

§

HIS

§

HIS

§

HIS

§

HIS

Kwaliteit van leven

 

§

Diabetes Quality of Life survey DQOL

Algemene gezondheidstoestand

§

Fysiek functioneren

§

Sociaal functioneren

§

Rolbeperkingen (fysiek probleem)

§

Rolbeperkingen (emotioneel probleem)

§

Mentale gezondheid

§

Vitaliteit

§

Pijn

§

Algemene gezondheidsbeleving

§

Gezondheidsverandering

§

SF-36 vragenlijst

§

SF-12 vragenlijst

Tevredenheid zorg

 

§

Diabetes Treatment Satisfaction Scale

§

Diabetes Treatment Satisfaction Questionnaire

Onderzoeksplanning Diabetescoach

Sept -Nov 2006

Bijeenkomsten Medicinfo en SGE Tongelre en Orion over de ontwikkeling en implementatie van de Diabetescoach; discussie tussen behandelaars en ontwikkelaars over hoe het programma eruitkomt te zien; specificeren van de doelstelling van het programma; vaststellen wat het programma wel en niet kan leveren.

December 2006

Pretest van de Diatescoach. Respondenten: 7 patiënten en 4 behandelaars, waaronder 1 huisarts. Respondenten zijn afkomstig van SGE Tongelre en SGE Orion te Eindhoven.

-

Bijeenkomst met 4 patiënten te Gezondheidscentrum Tongelre: demonstratie van de Diabetescoach, respondenten voorzien van testaccount van de Diabetescoach en uitleg over online vragenlijst (20 november).

-

Bijeenkomst met 3 patiënten te Gezondheidscentrum Orion: demonstratie van de Diabetescoach, respondenten voorzien van testaccount van de Diabetescoach, en uitleg over online vragenlijst (30 november).

-

Kennismaking van respondenten met de Diabetescoach: resp kunnen de Diabetescoach bekijken en testen met behulp van het verstrekte testaccount: week 46/ 47.

-

Online vragenlijst over de werking van de Diabetescoach (zie bijlage) naar deelnemers van de pretest (zowel patiënten als behandelaar): week 48

-

Uitwerking resultaten pretest en vragenlijst & verslag met suggesties voor verbetering naar ontwikkelaars Diabetescoach (zie bijlage): week 49

Januari 2007

Bijeenkomst Medicinfo en SGE Tongelre en Orion over implementatie van Diabetescoach: bespreking van de resultaten van de vragenlijst (pretest) met de behandelaar, bespreking voortgang van de Diabetescoach, bespreking onderzoeksplan Diabetescoach (12 januari 9.00-11.00 uur).

Februari 2007

-

Bijeenkomst Medicinfo en SGE Tongelre en Orion over implementatie van Diabetescoach; definitieve Go/No go beslissing, conceptbrief voor patiënten en voorlichting bespreken (marketing), planning bespreken, procedure voor selectie van patiënten bespreken (2 februari 9.00-11.00 uur).

-

Gegevens verzamelen voor nulmeting: zie tabel X.

-

Opstellen van patiëntenbrief over de Diabetescoach.

Maart 2007

-

Selectie van patiënten door behandelaars: versturen van patiëntenbrief

-

Start voorlichtingsavonden voor patiënten: voorlichting over gebruik van de Diabetescoach, uitleg over de handleiding, werving van respondenten voor de pilot.

-

Gegevens verzamelen voor nulmeting

April 2007

Start pilot Diabetescoach: Implementatie van Diabetescoach onder 100 patiënten van SGE Tongelre en Orion. Patiënten zijn gerekruteerd door de betrokken behandelaars van SGE Tongelre en Eindhoven (bijlage bevat selectiecriteria).

April – Sept 2007

Optimaliseren Diabetescoach door praktijktesten en interviews met gebruikers: patiënten en professionals. Populatie: 100 pilotpatiënten.

-

Onderzoek naar website gebruik:

o

Gebruiksfrequentie (entree, gebruik/walking en uitvallers, minuten/totaal, zie McKay, 2001)

o

Gebruik modules

o

Verwachtingen en ervaringen van gebruikers

-

Interactiviteit van het programma:

o

Alertsignals

o

Feedback (snelheid feedback, kwaliteit feedback)

o

Reminders

o

E-mail

Juni - Juli 2007

Start cohort studie Diabetescoach: Effecten & toegevoegde waarde van Diabetescoach. Voor- en nameting van kennis(niveau) over Diabetes & Gezonde leefstijl, kwaliteit van leven/tevredenheid zorg, algemene gezondheidstoestand. Te meten aan de hand van: SF-12. Uitkomstmaten: metabolische waarden en gedragsdeterminanten. Duur van het onderzoek: 12 maanden.

Referenties

Boowitz, S.M., Wyatt, J.C. (1998). The origin, content and workload of e-mail consultations. JAMA; 280, 1321-1324.

Eysenbach, G., Diepgen, T.L. (1999). Patients looking for information on the internet and seeking teleadvice. Motivation, expectations and misconceptions as expressed in e-mails sent to physicians. Arch dermatol; 135, 151-156.

Farmer, A., Gibson, O.J., Tarassenko, L. & Neil, A. (2005). A systematic review of telemedicine interventions to support blood glucose self-monitoring in diabetes. Diabetic Medicine; 22, 1372-1378.

Programma IZIT innovatie van zorg door ICT in Twente (2004). Project Elektronisch patiënten dossier.

Larkin, M. (2000). How will the web affect the physician-patient relationship? The lancet; 356 (9243), 1777-1777.

Linthorst (2006). De mogelijkheden van ICT in het effectiever en efficiënter functioneren van de diabetesketen. Universiteit Twente, Faculteit gedragswetenschappen. Doctoraalscriptie.

Nederlands Huisartsen Genootschap (2006). NHG-Standaard Diabetes Mellitus type 2. Tweede herziening.

URL: http://nhg.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_104_TICH_R1690081092740334 (geraadpleegd op 5 januari 2007)

Nederlands Instituut voor Telemedicine (2006). Wat is telemedicine? URL: http://www.nitel.nl/telemedicine/ (geraadpleegd op 5 januari 2007)

Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (2006). Veilig mailen met de huisarts, een onderzoek naar het gebruik van e-consult in de zorg. Universiteit Twente, Faculteit gedragswetenschappen.

Nederlandse Diabetes Federatie (2003). Richtlijn zelfcontrole van het bloedglucosegehalte bij Diabetes Mellitus. URL: http://www.diabetesfederatie.nl/Adobe/05%5B1%5D.zelfcontrole.pdf (geraadpleegd op 5 januari 2007).

Umefjord, G. (2006). Internet consultation in medicine. Studies of a text-based Ask the doctor service. Universitet Umeå. Doctoral thesis.

http://www.diabetesfederatie.nl/, geraadpleegd op 5 januari 2007

http://www.rivm.nl/nationaalkompas/, geraadpleegd op 5 januari 2007

http://nhg.artsennet.nl/, geraadpleegd op 5 januari 2007

Bijlagen

-

Opzet online vragenlijst pretest patiëntversie

-

Opzet online vragenlijst pretest behandelaarsversie

-

Resultaten pretest patiënt & behandelaar

-

Opzet van de praktijktest