Nederlandse samenvatting

Proefschrift Rilana Prenger

‘From intermediate to final behavioral endpoints: Modeling cognitions in (cost-)effectiveness analyses in health promotion’

Kosteneffectiviteitsanalyses (KEAs) worden steeds vaker toegepast voor evaluatie van gezondheidsbevorderende en psychologische interventies. Echter, in het gebied van de gezondheidsbevordering wordt de effectiviteit van innovatieve interventies vaak in beperkte mate onderzocht. In het geval van meerdere veelbelovende interventies zijn de aanwezige databestanden niet bruikbaar voor KEAs vanwege variabele follow-up periodes van interventies of een gebrek aan gevalideerde uitkomsten. Maar vaak zijn wel effecten op cognitieve variabelen, zoals intentie en effectiviteit, gemeten. Om een oplossing te bieden voor deze variaties tussen studies kunnen cognitieve parameters van gedrag gemodelleerd worden met als doel de vereiste eindpunten van gedrag te schatten voor toepassing in KEA.

Het onderzoek dat beschreven is in dit proefschrift betreft de ontwikkeling van een methode om gedeeltelijke gedragsverandering in KEA te includeren door het modeleren van cognitieve parameters van gedragsverandering. De volgende doelstellingen zijn onderzocht: ten eerste, het creëren van een methode dat inzicht kan geven in effectiviteit van gedragsinterventies op de langere termijn, door verder te kijken dan gemeten (tussentijdse of intermediaire) uitkomsten in beschikbare data. Een tweede doel was om een methode te ontwikkelen dat kan bijdragen aan de standaardisatie van KEAs van gedragsinterventies. Beide doelstellingen zijn onderzocht door dezelfde methode toe te passen: voorspellen van eindpunten van gedrag door het modeleren van intermediaire uitkomsten van gedrag. De gepresenteerde methode in dit proefschrift leidt ertoe dat afhankelijk van de verhouding tussen extra effecten van gedrag (zowel positief als negatief) en de extra kosten, resultaten er anders uit kunnen komen te zien. Daarom zou het modeleren van cognitieve intermediaire uitkomsten naar toekomstig gedrag uiteindelijk belangrijke implicaties kunnen hebben voor het gezondheidsbeleid in het algemeen en specifiek voor onderzoek naar gezondheidsgedrag.