IGS Universiteit Twente
Staatsrechtconferentie 2016

Subthema's

Tijdens de conferentie staan verschillende vormen van experimenteren, dan wel het faciliteren daarvan centraal.

  • In de eerste plaats het ‘experimenteren door wetgeving’, door het maken van leerzame uitzonderingen op bestaande beperkende regels, door experimenteerbepalingen in permanente, tijdelijke of zelfs experimentele wetgeving (e.g. Crisis- en herstelwet, Elektriciteitswet, Omgevingswet, Experimentenwet gemeenten, Experimentenwet onderwijs), veelal tevens met het doel van verbeteren van bestaande regelgeving. Welke uitzonderingen zijn nuttig en nog op een staatrechtelijk aanvaardbare wijze realiseerbaar – zou een algemene experimenteerwet een goede gedachte zijn?
  • In de tweede plaats wordt ingegaan op ‘experimenteren tussen wetgeving’, door het scheppen van leerzame lokale variatie tussen wet- en regelgeving op basis van decentrale bevoegdheden als experimentele ruimte binnen een regionaal, nationaal, federatief of supranationaal verband (e.g. bestuurlijke experimenten, EU-richtlijn hernieuwbare energie; ‘EU Open Method of Coordination’) ook wel ‘experimentalist governance’ genoemd. Hoe verhoudt zich decentralisatie als institutionele keuze tegenover decentralisatie als modus voor experimenteren en wanneer welke mate en wijze van experimentele variatie is nog staatsrechtelijk aanvaardbaar?
  • In de derde plaats het ‘experimenteren binnen wetgeving’, door het faciliteren van leerzame spontane praktijken op basis van flexibele regelgeving, door een open structuur van wettelijke bepalingen (e.g. doel- en zorgplichtbepalingen, risicoregulering, uitdagingsrecht) alsmede van het proces van regelgeving (internet, consultatie, ‘regneg’, co- en metaregulering). Waar ligt in deze benadering de balans tussen nuttig faciliteren en inboeten op kernbeginselen zoals rechtszekerheid en rechtsgelijkheid; innovatie kan immers ook juist gebaat zijn bij klip en klare grenzen.


Tijdens de conferentie wordt besproken of en zo ja, hoe met een aanpak vervat in deze drie subthema’s kan worden bijgedragen aan het vinden van oplossingen van maatschappelijke en technologische vraagstukken, alsmede aan het meer toekomstbestendig maken van wetgeving en van het wetgevingsproces. Niet alleen wordt stilgestaan bij de mogelijkheden die het staatrecht biedt maar ook aan de beperkingen die het stelt, zoals door de bescherming van fundamentele rechten en door leidende beginselen zoals inzake rechtszekerheid, rechtsgelijkheid, evenredigheid en het democratisch primaat. De juridische analyse zal daarbij niet kunnen zonder reflectie op wat uit epistemisch oogpunt (methodologisch) geboden is om experimenten te doen resulteren in opschaling van bevindingen uit kleinschalige experimenten naar grootschalige ‘evidence-based’ praktijken en, wellicht, herziene regelgeving of toepassing van regels.