INTRANET

Eerste Kamer in debat met UT professor Hans Vossensteyn over het Studievoorschot

Hoe gaat de Eerste Kamer oordelen over het studievoorschot? Na twee Rondetafelgesprekken met de onderwijsvertegenwoordigers van de Tweede Kamer was hoger onderwijs- en studiefinancieringsexpert Hans Vossensteyn van CHEPS dinsdag 2 december ook als deskundige bij het overleg van de commissie onderwijs van de Eerste Kamer uitgenodigd. In een besloten hoorzitting discussieerden de Senatoren met 4 experts van CHEPS / Universiteit Twente, het CPB, NIBUD en een onderwijsjuriste. Centraal stond de vraag wat de mogelijke gevolgen zijn van de invoering van het Studievoorschot op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs en de mogelijke terugbetaling van studieschulden door afgestudeerden. Voor de standpunten van Hans Vossensteyn, lees verder…

Senate debates with UT professor Hans Vossensteyn on new Student Loans System

What will be the judgment of the Senate about the proposals for a new student financing system? After two Expert Consultation rounds in Parliament, higher education and student financing expert Hans Vossensteyn (CHEPS – University of Twente) was invited by the Senate to provide his expert opinion on the government’s proposals to change the system of financial support for students. On December 2 the senators discussed the potential impact of higher loans and student debt on access to higher education and graduates’ capacity to repay their debt. Based on international evidence, Hans Vossensteyn explained that the number of new entrants is not expected to decline, except for a small dip in the initial year. Graduate debt will be manageable for the majority of graduates, and if not, the government will take over the burden.

Prof. Dr. J.J. (Hans) Vossensteyn

Effect van leningen op toegankelijkheid:

uitkomsten van verschillende studies

Deskundigengesprek Eerste Kamer

Op 2 december 2014 heeft de Commissie Onderwijs van de Eerste Kamer een Deskundigengesprek inzake het wetsvoorstel sociaal leenstelsel – het Studievoorschot. Hans Vossensteyn – directeur en onderzoeker bij CHEPS aan de Universiteit Twente – is gevraagd een verklaring te geven voor de verschillen die er bestaan tussen de effecten van het sociaal leenstelsel op de toegankelijkheid zoals die in verschillende rapporten wordt geprognosticeerd. Op grond van een korte samenvatting zal ik hieronder kort aangeven waar de geduide verschillen mee te maken hebben:

·

Studie van het CBS: Deze studie kijkt naar het verband tussen (ouderlijk) inkomen en de toegang tot het hoger onderwijs. Het gaat om personen van 16 jaar op 1 oktober 2005 en wat hun onderwijsstatus 6 jaar later was. Het sterkste positieve verband is gevonden tussen ouderlijk opleidingsniveau en HO deelname. Ouderlijk inkomen speelt ook een grote rol. Er is geen verband tussen ouderlijk inkomen en studie-uitval. Uiteindelijk blijkt niet het inkomen heel belangrijk te zijn maar meer de prestaties in het PO en VO, opleidingsniveau van de ouders, en de motivatie en verwachtingen door de omgeving.

·

Studie van het CPB: Het CPB onderzoek laat zien dat in Nederland de invoering van een sociaal leenstelsel zal leiden tot een afname van het aantal eerstejaarsstudenten met ruim 2%, hetgeen neerkomt op zo’n 3.000 eerstejaars en 11.000 studenten. In beide gevallen heb ik twijfel: “Mensen kiezen andere opties, zoals vaker thuis wonen, meer werken. Zittende studenten worden nauwelijks geraakt omdat voor hen weinig verandert en zij al geïnvesteerd hebben. Ook wordt niet meegerekend dat de prijsverhoging in gedeeltes komt, en het schokeffect per jaar dus kleiner is.” En als studenten de volledige kostenverhoging in hun keuze betrekken geldt dit niet meer voor cohorten in de jaren daarna, want voor hen is het geen verhoging ten opzichte van de “oude situatie”. Het is gewoon “de situatie”.

·

De Vereniging Hogescholen: bouwt voort op het CPB onderzoek en zet het schokeffect extra zwaar aan omdat in het HBO meer studenten uit sociaal zwakkere groepen zitten. Zij maximeren het effect en trekken het tot in lengte van jaren door. Op grond van de internationale praktijk – zie de opmerkingen naar aanleiding van het onderzoek van CHEPS hieronder alsmede het argument hierboven – zullen de deelnamepatronen zich na 1-2 jaar herstellen.

·

Studie van het SCP: De studie onder aankomend studenten en hun intentioneel gedrag kan geen kwantitatieve inschatting geven over hoeveel studenten welk gedragsalternatief zullen tonen. HAVO-ers en VWO-ers zijn zeker van studeren. MBO-ers twijfelen vaker, dit hangt samen met de door hen verwachte meerwaarde op de arbeidsmarkt en ook zijn hoge SES studenten meer geneigd door te studeren. Men wordt in het algemeen kostenbewuster: goedkopere studie, thuis wonen, HBO i.p.v. WO, geen buitenland, sneller studeren, ouders gaan meer bijdragen, betere arbeidsmarktperspectieven. Dit levert meer keuzestress. Aankomend studenten die een tussenjaar hadden gepland gaan dit niet doen (zal in statistieken een bias geven, meer instroom in 2014, minder in 2015). Verder zijn er in geval van hogere kosten iets meer zorgen omtrent de onzekerheid van het vinden van een (goed betaalde) baan. Jongeren uit lagere SES groepen zijn iets gevoeliger voor de mogelijke gevolgen van het nieuwe stelsel. Een betere OV regeling kan veel leed voorkomen. Een afstudeerpremie wordt ook positief ontvangen, maar een hogere aanvullende beurs lijkt nauwelijks positieve invloed te hebben (men weet niet wanneer men in aanmerking komt!: hier moet betere gerichte voorlichting toch iets aan doen lijkt mij want juist dit is het instrument om de studenten uit sociaal zwakkere milieus een duwtje in de rug te geven).

·

Studie van Intomart GFK: Deze studie onder ouders en aankomend studenten laat zien dat zij wel globale kennis over de studiefinanciering hebben maar geen specifieke bedragen weten. De meeste aankomend studenten zijn al overtuigd van hun deelname. Over de nieuwe plannen weet men dat er meer geleend moet worden, maar waarom is hen onbekend. De helft vindt lenen geen probleem, een derde wil dat liever niet. 21% van MBO-ers zegt vanwege het lenen niet door te studeren. Dit is leenaversie. Of dit mensen zijn die anders wel waren gaan studeren of behoren tot de groep die zeggen niet te gaan studeren maar het uiteindelijk toch gaan doen is de vraag. Aankomend studenten geven aan vaker te gaan werken en thuis te blijven wonen.

·

Studie van CHEPS: Dit onderzoek laat zien wat er in andere landen is gebeurd na de invoering van substantieel kostenverhogende maatregelen, zoals meer nadruk op studieleningen en hogere collegegelden. Hieruit blijkt dat studenten in veel landen meer schulden hebben dan vaak wordt gedacht, b.v. in Scandinavië. Ook blijkt dat er zeer zeker sprake is van leenaversie, maar dat deze niet wordt omgezet in verminderde toegankelijkheid van studenten uit lagere SES groepen. In het eerste jaar na een invoering vertonen studenten wel strategisch gedrag, maar de patronen herstellen zich één of twee jaar later alweer. Zie ook de invoering van de prestatiebeurs in Nederland. Mogelijke effecten op het gezinsleven van afgestudeerden doen zich nauwelijks voor. Momenteel wordt in Engeland wel hoorbaar dat de radicale financiële ingrepen in de afgelopen 20 jaar nu door de recente collegegeldverhogingen van £3.500 tot £9.000 tot hoge studieschulden leiden waar afgestudeerden last van kunnen krijgen, maar het is nog niet hardgemaakt.

Analyse:

·

De verschillende studies behandelen diverse aspecten van de toegankelijkheid. De verwachte effecten variëren van een daling van de instroom met ruim 2% tot “het zal wel meevallen maar studenten zullen wel strategischer gaan kiezen en studeren”. Dat laatste is ook een gewenst effect.

·

De leenangst en verwachte gedragseffecten zijn sterker onder studenten die uit het MBO komen en het minst onder VWO-ers.

·

Ook zullen studenten uit hogere SES groepen minder last hebben van de maatregelen.

·

Ook in het oude model waren jongeren uit lage SES groepen ondervertegenwoordigd, net zoals dat het geval is in alle landen op de wereld, ongeacht of men collegegelden heeft of niet, of er studiefinanciering is of niet en in welke vorm.

·

Behoud van de OV kaart wordt als zeer positief ervaren.

·

Verrassend genoeg wordt niet veel waarde gehecht aan de hogere aanvullende beurs, vooral vanwege onduidelijkheid over bedragen en toekenningscriteria. Hier ligt nog een schone taak voor de voorlichters, want dit is hét middel om lage SES studenten te helpen!

·

Vervolgens laat de internationale praktijk zien dat ook het strategische studie(keuze) gedrag deels zal wegebben. Men leeft al snel in een “nieuwe realiteit”.

·

De internationale praktijk laat ook zien dat er zeker leenangst is en dat die sterker is onder lage SES groepen, maar dat die uiteindelijk niet uitmondt in andere deelname patronen.

·

Tenslotte zijn er net als bij vele voorgaande veranderingen in de studiefinanciering vele speculaties over verminderde toegankelijkheid die in werkelijkheid in NL nog niet zijn gematerialiseerd. Kijk bijvoorbeeld naar het effect van invoering van de prestatiebeurs in 1996: een tijdelijke stagnering in de groei van het aantal eerstejaars en veiligere studiekeuzes door vaker voor het HBO- of niet-technische opleidingen te kiezen. Twee jaar later waren de oude deelnamepatronen hersteld. Dat neemt niet weg dat men goed moet monitoren welke effecten Het Studievoorschot heeft op studenten wat betreft keuzegedrag, studeergedrag en het leven na afstuderen.

Overige punten:

·

Een interessante constatering: In de discussie rond het nieuwe stelsel wordt veelal beargumenteerd dat wij onze jeugd niet verplicht met een studieschuld de arbeidsmarkt op mogen sturen omdat het maar de vraag is of zij een goedbetaalde baan zullen vinden. We weten echter dat de meeste afgestudeerden veel minder vaak werkloos worden en doorgaans een prima startsalaris ontvangen. Daarnaast vinden wij het in het vigerende stelsel heel normaal dat studenten die geen diploma halen en derhalve minder kans op een goed betaalde baan hebben wel de volledige basisbeurs terug moeten betalen. Waarom zouden we dit niet vragen van studenten die wel een diploma halen en daarmee tot de meest kansrijke groep in de samenleving gaan behoren.

·

Studieschulden een onoverkomelijke last?: Waar in het oude stelsel met een terugbetalingsperiode van 15 jaar een studieschuld van €15.000 een aflossingsbedrag van €100 per maand opleverde, is dat in het nieuwe stelsel met een terugbetalingsperiode van 35 jaar gereduceerd tot zo’n €45 per maand. Voor een lening van €30.000 betaalt men €100 per maand terug (HomeFinance.nl, 2014). Het gemiddelde startsalaris van HBO- en WO afgestudeerden is bruto respectievelijk €2.122 en €2.632 (GemiddeldGezien.nl, 2014). Dat is netto tussen de €1.400 en €1.800. Dit groeit in de eerste jaren na afstuderen doorgaans nog behoorlijk. Aangezien uitwonende studenten gewend zijn geweest om rond te komen van een inkomen tussen de €850 en €1.100, lijkt de aflossing van studieschulden in de nieuwe Nederlandse situatie geen onoverkomelijke last te vormen. Maar dan moeten we dat vanuit de overheid, DUO en de HO-instellingen wel duidelijk vertellen tegen aankomend studenten. Dit zal ook een mogelijke toekomstige hypotheek voor een huis niet in de weg staan. Vooral omdat de nieuwe aflossingen niet boven 4% van het inkomen uit kunnen komen is dit veel gunstiger dan in het oude systeem. Daar mochten banken er rekening mee houden dat studieschulden tot 9% van het inkomen in beslag zouden kunnen nemen.

·

Momenteel leent ruim 50% van de studenten een bedrag van €15.000. Een deel daarvan zijn studenten die nooit een diploma hebben gehaald en derhalve alles terug moeten betalen. Dat betekent dat de vrijwillige lening – buiten het basisbeursgedeelte” – gemiddeld lager is dan €15.000.

Naar aanleiding van de bijeenkomst

·

Als ik nu student was zou ik maximaal lenen. Dat raadt ik ook mijn zoon aan die net gestart is in het HBO. In het nieuwe stelsel is dat zo’n €1.000 per maand. Na 7 jaar is dat ongeveer €84.000. Veel geld. Een behoorlijk deel daarvan kan worden gespaard en t.z.t. worden ingezet voor de aanschaf van een eerste huis of het opzetten van een bedrijfje. Met de lage rente over studieschulden is dit een ideale hypotheek, nergens goedkoper te krijgen en met een maximum terugbetalingsverplichting van 4% over zijn toekomstig inkomen blijft er na 35 jaar vast nog een deel restschuld over die wordt kwijtgescholden. Zo krijgt hij dan toch nog zijn basisbeurs en misschien nog wel meer. Tenzij hij enorm goed gaat verdienen, maar dan is er ook geen vuiltje aan de lucht….

·

Wat betreft de angst van ouders om hun kinderen in de schulden te laten opgroeien. Dit is een private subjectieve en gevoelsmatige afweging zoals sommigen een mooie auto willen rijden en anderen kiezen voor het openbaar vervoer. Jezelf veel ontzeggen om je zoon of dochter “gratis” te laten studeren is een keuze. Daar dan over klagen vind ik onterecht. Die zoon of dochter gaat zeer waarschijnlijk later goed verdienen, al helemaal als hij/zij medicijnen studeert. En mocht de investering niet renderen en de zoon of dochter toch geen goede baan krijgen, dan … neemt de overheid de kosten/schulden voor haar rekening, tenzij dat natuurlijk allemaal al is betaald door de ouders, want die krijgen dan niets terug. Deze ouders zijn dus een dief van de eigen portemonnee…. Maar, misschien moet de overheid dat inderdaad stimuleren om zo een hogere mate van cost-sharing te bewerkstelligen en de publieke uitgaven te beperken….

·

Aan aan het einde van het debat is ook veel gezegd over de rechtspositie van studenten en de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs:

o

Dat alle Nederlandse studenten hun gehele budget kunnen lenen of een deel ervan kunnen krijgen als aanvullende beurs en een OV voorziening is een heel groot goed! In heel veel landen is dit niet of nauwelijks het geval, zoals in België, Frankrijk, Spanje, Italië, Portugal, etc. Daar moeten studenten zelf maar zien hoe zij in hun maandelijkse financiële behoefte voorzien. Vooral ouders móeten daar dus betalen.

o

Dat Nederlandse studenten altijd een plaatsje kunnen krijgen in het hoger onderwijs is een heel groot goed! Wij zijn één van de zeer weinige landen met open toegang. Dit is zelfs in de Scandinavische landen niet het geval. Overal geldt selectie aan de poort.

o

Het Nederlandse (hoger) onderwijs heeft in den brede een hele goede kwaliteit en staat ook als zo bekend. Ondanks dat er wel eens iets misgaat – en natuurlijk moeten we daar iets aan proberen te doen – is het in Nederland vaak beter geregeld en hebben studenten meer rechten dan in andere landen. In mijn Duitse baan ben ik Herr Professor en bepaal ik wat ik doceer en hebben studentenevaluaties nauwelijks invloed over hoe ik binnen de universiteit wordt bekeken. Dat is nog sterker in Frankrijk en veel Centraal- en Zuid-Europese landen zo.

o

Ouders van Duitse studenten aan (de grote opleidingen binnen) de Universiteit Twente noemen bij afstudeerceremonies altijd en immer dat hun zonen en dochters bij ons zo veel harder moeten werken, dat zij zo veel meer aandacht hebben gekregen en dat het onderwijs veel intiemer en kleinschaliger is dan wat hun vrienden en vriendinnen aan Duitse universiteiten meemaken. Hier is internationaal weinig over bekend, maar ik denk dat wij in Nederland ons geen algemeen gevoel van slecht onderwijs en onheuse bejegening van studenten moeten laten aanmeten.

·

Tenslotte wil ik graag meegeven dat een studiefinancieringsstelsel een aantal basisprincipes moet volgen: het moet duidelijk en transparant zijn; het moet studenten de kans geven onderwijs te volgen en in zichzelf te investeren; het moet een faire verdeling tussen publieke en private verantwoordelijkheden voor ogen houden; flexibel zijn voor studenten en afgestudeerden in verschillende omstandigheden; bestendig zijn (voor zowel de publieke als private portemonnee) om zo groot mogelijke rechtszekerheid te bieden; het moet niet volledig zijn afgestemd op studenten in de meest moeilijke situaties en daardoor de “normale studenten” oversubsidiëren; het moet een baat-het-niet dan schaadt-het-niet karakter hebben.