INTRANET

Evaluatie Bètabeurzen

'Hoe krijgen we meer afgestudeerden in bèta en techniek?' is een vraag die in heel Europa de mensen al jaren bezig houdt. Ook in Nederland zijn we daarmee bezig. Het Platform Bèta Techniek is hierbij een belangrijke speler, maar ook de minister van OCW doet af en toe een duit in het zakje. In 2004 heeft de toenmalige minister Maria van der Hoeven het programma bètabeurzen opgestart. Om ervoor te zorgen dat studenten die aan een bètastudie beginnen ook echt op tijd afstuderen werd eerstejaars in een beperkt aantal opleidingen een Bètabeurs in het vooruitzicht gesteld. Bij de meeste opleidingen betekende dit dat als de student aan de voorwaarden voldeed, zij of hij een eenmalige beurs van € 1500 zou krijgen. De opleidingen konden zelf de voorwaarden bepalen.

De Bètabeurzen waren beschikbaar voor eerstejaars die in 2004 en in 2005 aan de deelnemende opleidingen zijn ingestroomd. In 2006 is een eerste evaluatie van het programma verricht door RegioPlan. Die evaluatie was gericht op de implementatie van het programma door de deelnemende opleidingen.

In september 2008 heeft het Platform Bèta Techniek aan CHEPS de opdracht gegund voor de eindevaluatie van de Bètabeurzen. Deze evaluatie vindt in twee fasen plaats. De eerste fase start in september 2008 en zal in april 2009 zijn afgerond. De tweede fase start in september 2009 en zal in april 2010 klaar zijn. De opzet van het onderzoek is in beide fasen gelijk, met als grote verschil dat de eerste fase betrekking heeft op het instroomcohort 2004 en de tweede fase op het cohort 2005.

In het onderzoek wordt allereerst gekeken hoeveel beurzen er daadwerkelijk zijn uitgekeerd. Verder richt het onderzoek zich op de vraag ‘Hebben Bètabeurzen invloed gehad op het studiegedrag en het studiekeuzegedrag van studenten?’. Om die vraag te beantwoorden worden gegevens verzameld van drie groepen studenten: eerstejaars die een Bètabeurs hebben gekregen, eerstejaars in deelnemende opleidingen die geen Bètabeurs hebben gekregen en eerstejaars in niet deelnemende, vergelijkbare opleidingen.

Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van gegevens van de IB-Groep, aangevuld met gegevens uit een enquête onder studenten uit de twee instroomcohorten.

Projectleider: Frans Kaiser