Vragen UR nav Verdeelmodel 2007

Opmerkingen en vragen bij Uitgangspunten Verdeelmodel en 3de Tranche Vastgoed

t.b.v. commissievergadering FVA 31-10-07

Uitgangspunten Herzien UT-verdeelmodel

1.

Algemeen:

Positief is dat op een aantal aspecten rekening is gehouden met inbreng van de URaad bij eerder discussies t.a.v. het verdeelmodel. Zoals: het toevoegen van de 4.4 REH-middelen aan het model (i.p.v. aan uitsluitend het onderzoek), bekostiging MESA-lab uit onderzoekmiddelen, verschil in bekostiging van technisch en niet-technisch onderwijs (geen verschil in nota kaderstelling 2008), bekostiging van pre-master onderwijs op bachelorniveau en de periode voor bepaling promotie premie te verkorten. Ook de hoogte van de OO-component is voor de URaad altijd een toetssteen geweest.

Belangrijkste kritiekpunten:

2.

Sturing WD t.a.v. de OO-middelen:

Onduidelijk is of groepen (dan wel afdelingen, dan wel faculteiten), die OO-middelen genereren hier vervolgens “recht” op hebben. Bestaat de sturing van de WD daaruit dat hij met de decaan overeenkomt aan welke groepen deze middelen worden toegekend (en dus feitelijk tot reallocatie kan overgaan)? Of sluist hij deze middelen door naar de betreffende faculteit waarbij hij inhoudelijke afspraken maakt met de betrokken groepen (en de decaan) over besteding? Als dat laatste het geval is: waarom dan niet meteen als facultaire budgetten toekennen?

3.

Toerekening overhead aan tweede en derde geldstroominkomsten:

Het smaller worden van de (eerste geldstroom) basis waaruit de universitaire resp. facultaire overhead betaald moet worden, is een bekend probleem. Recente ontwikkelingen zoals de voorgenomen overheveling van eerste geldstroommiddelen en de toekenning van 50 miljoen subsidie voor de Centers of Excellence, vergroten dit probleem. Bovendien ontstaat hierdoor een onbalans in de bijdrage die onderwijs- en onderzoekactiviteiten (moeten) leveren aan de overhead. Er blijft daardoor simpelweg minder geld voor kennisoverdracht over. Dit stuk biedt hiervoor geen enkele oplossing, maar kiest er juist expliciet voor om driedubbele stimulering van derde geldstoom promotieplaatsen te handhaven en impliciet om andere derde geldstroomactiviteiten niet te belasten met overhead.
Wat is de toekomstvisie van het college hierop?

4.

De positie van de leerstoel

Dit stuk doet geen uitspraak over de vraag of het wenselijk is dat leerstoelen (of capaciteitsgroepen) aangesproken worden op hun financiële presteren op basis van dit nieuwe verdeelmodel. Het business unit model was een belangrijk uitgangspunt van het oude model. Wat is de visie op de nieuwe positie van de leerstoel in financiële zin. Het college heeft in overlegvergaderingen aangegeven dat dit niet langer het business unit model zal zijn. Wat wordt het nu wel? Hetzelfde geldt ten aanzien van de (ontwikkeling van) leerstoelreserves en rechten c.q. plichten die daaraan ontleend worden. Wat is onder het nieuwe verdeelmodel de richtlijn voor faculteiten en instituten t.a.v. leerstoelbegrotingen en -reserves?

5.

Onderscheid ECTS-deel en omvang infrastructuur niet duidelijk en discussie over onderlinge verrekeningen niet opgelost.

Efficiënt gebruik van onderwijsruimten wordt niet bevorderd door het onderscheid tussen “eigen” (veelal jaar-) ruimten en poolzalen en het handhaven van de overheveling van alleen het poolzalen budget naar de ECTS-bekostiging vergroot de verwarring. Zo worden toeleveranciers nu met rekeningen voor de “huur” van facultaire jaarruimten geconfronteerd. Onderwijsruimten horen in hun algemeenheid bij de infrastructuur en als er voor gekozen wordt de infrastructuur te bekostigen via de opleidingen dan dient dat ook duidelijk zo beschreven te worden. Ten aanzien van de omvang van de infrastructurele component is het vreemd dat de overgang van onderwijs- en ICT-ondersteuning (en hun kosten) naar de centrale diensten geen gevolgen heeft voor de (relatieve omvang van de infra-component. Een ander aspect is dat met deze component onderscheid wordt gemaakt in kosten van (zwaar)technische en niet technische opleiding wordt gemaakt. Al deze aspecten roepen de vraag op of het onderwijsmodel wel goed doordacht en uitgewerkt is om als “eerlijk” en werkbaar verdeelmechanisme te kunnen hanteren. Kan het college de handhaving van omvang en systematiek van de infrastructurele component beter beargumenteren, dan wel meer duidelijkheid ten behoeve van de uitvoering geven?

Waarom geen poolruimtes in ECTS-bekostiging? Waarom heroverweging onderwijscompartiment?

Ter verduidelijking gaan we uit van twee fictieve, extreme faculteiten:

a.

Faculteit A verzorgt alleen toegeleverd onderwijs en heeft dus geen recht op de infrastructurele component, wel op de ECTS-bekostiging van zijn onderwijs. Voor dat onderwijs huurt A poolzalen maar het “poolzalendeel” in de ECTS bekostiging (1.4 miljoen gedeeld door het totaal aantal ECTS) is onvoldoende omdat te bekostigen. Ook organisatorische zaken als coördinatie, ondersteuning, kosten tentamens en bijborende zaken moeten uit de de ECTS-bekostiging betaald worden.

b.

Faculteit B heeft louter eigen studenten en verzorgt daar onderwijs aan in eigen onderwijsruimten: voor organisatie en zalenbekostiging wordt de infrastructurele component ingezet en voor het onderwijs zelf is de ECTS-bekostiging beschikbaar: indien de infracomponent het totaal aan infrakosten dekt hoeft de ECTS-bekostiging (incl. poolzalen daarvoor niet worden ingezet.

Het behoeft geen betoog dat in faculteit B meer geld voor het onderwijs zelf resteert dan in faculteit A. Voor “echte faculteiten” is de “resterende ECTS-prijs” afhankelijk van de vraag of de faculteit netto-toeleverancier van onderwijs is en van de verhouding tussen eigen (eerstejaars bachelor) studenten en toegeleverde studenten.

In de praktijk is het nu zo dat onderwijsafnemers uit faculteit B, die gebruik laten maken van hun jaarzalen, de toeleveraar (A) zaalhuur in rekening brengen. Het argument is dat de poolzaalbekostiging in de ECTS-component zit: op die wijze brengt men de infrastructurele kosten terug.

Conclusie: dit is geen redelijke systematiek en niet robuust gezien de veranderende verhoudingen tussen faculteiten (of zelfs leerstoelen).

Uitgangspunten dienen te zijn dat budgetten toegekend moeten worden aan eenheden waar de kosten worden gemaakt en dat de noodzaak tot onderlinge verrekening geminimaliseerd wordt.

6.

Grondslag opslag per opleiding

Voor de grondslag per opleiding wordt gekozen voor het aantal 1e jaars. Door het niet één op één aansluiten van bachelor en master opleidingen gaat hierdoor een situatie ontstaan dat master opleidingen zonder traditionele bachelor geen opslag krijgen, terwijl bachelor opleidingen zonder traditionele master aansluiting een naar verhouding groter deel ontvangen. Met een scheiding tussen bachelor en masterfase lijkt een meer redelijke grondslag wenslijk. Op welke wijze wil men hier in voorzien?

7.

Wat bepaald Bachelor of Master

Het is niet eenduidig wat als Bachelor en wat als Master wordt gezien. Wordt dit bepaald door de vakcode of door de student. Voor de pre-master wordt een voorstel gedaan, echter zeker door homologatie trajecten in de master is ook daar een vermenging van de twee mogelijk. Een heldere definitie hiervan is wenselijk om de administratie helder te houden. De invoering van verschillende codes voor B en M suggereert dat dit de maatstaf zou moeten zijn. De huidige definitie is dat een vak masteronderwijs is als deze in het masterprogramma van een student is opgenomen. Dat betekent dus dat een ECTS voor een vak, afhankelijk van het programma van de betreffende student, master- of bachelorbekostiging oplevert. Is dit een voldoende heldere en robuste benadering?

8.

Indaling tg

Voor de indaling tg wordt gemeld dat dit niet per 2009 maar per 2010 wordt beoogd. Toch is het goed om al nu de indaling te formuleren ipv dit vooruit te schuiven. Dit geeft tijdig helderheid hoe hier mee om te gaan. Wat is de redenatie in dit geval om B en M fase gelijk te zien?

9.

Volumebeleid

Ten aanzien van het volumebeleid wordt een erg terughoudende positie door het college ingenomen, waarbij er van uitgegaan wordt dat er nu decentraal volumebeleid is en uitvoering getoetst wordt over 3 jaar. Het voornemen om dit decentraal in te voeren is inmiddels 2 begrotingen oud. Kan het college ten minste aangeven hoe instituten op dit moment hun interne volumebeleid hebben ingevuld? Dat is noodzakelijk om ook te kunnen toetsen.

10.

Promotiepremie

Het college geeft aan dat zij de promotiepremie periode naar 2 jaar wil trekken. Dit is een goed voornemen, zeker met het voornemen een afbouwtraject voor invoering te willen hanteren. Op welke wijze wordt dit afbouwtraject vormgegeven?

11.

Centrale stimulering

Het college is voornemens om 2/3 van deze premies op basis van past performance toe te wijzen. Is het bij zo’n systematiek niet beter om dit gewoon aan de WD’s over te laten.

Vastgoedplan - 3de fase

Vragen rond o.m. capaciteit en sloop+nieuwbouw versus verbouw.

1.

Is Carré voldoende groot voor EWI en TNW (en evt. CTW), of is huisvesting van bijvoorbeeld TW aldaar niet (volledig) mogelijk?

2.

Met de UR is eind 2006 afgesproken dat deze plannen een analyse zouden bevatenn van:

a.

de omvang van de aanwezige onderwijsruimtes na realisatie van de vastgoedplannen, o.a. na sluiting van Hogenkamp en Langezijds.

b.

de behoefte aan typen en aantal onderwijsruimtes, zoals collegezalen van verschillende omvang, practica- en projectruimtes, rekening houdend met de groei naar 10.000 studenten

c.

de roostertechnische inpassing van het onderwijs in de onderwijsruimtes.

Het voorliggende stuk meldt slechts de totale som van ruimtes en dat tekorten maar door bedrijfstijdverlenging moeten worden opgelost. Hiermee kan geen sprake zijn van de toegezegde analyse. Het stuk lijkt er verder van uit te gaan dat ondanks de groei in studentenaantallen het aantal onderwijsruimtes kan worden verminderd. Kan het college alsnog haar toezegging nakomen?

3.

Waarom is het college ingegaan op het afwijkende huisvestingsconcept van MB, waar het afgesproken uitgangspunt dient te zijn dat we flexibel en uniform bouwen?
Zo hebben de meeste faculteiten juist liever een scheiding tussen onderwijs- en kantoorruimten (i.p.v. een vermenging van functies).
Gekoppeld eraan: levert renovatie van Ravelijn gekoppeld aan nieuwbouw voor voldoende kantoor en onderwijsruimten geen financieel beter plaatje op?

4.

Waarom dient er een aanpassing van Citadel (aan het huisvestingconcept) te worden gerealiseerd waar het een kwalitatief goed en standaard kantoorgebouw is? Zeker aangezien dit gebouw op dit moment als noodzakelijke overloop wordt gebruikt, c.q. als permanente huisvesting kan worden gebruikt.

5.

Hoe zit het met het financiële plaatje?
- Waarom is er geen update van de veranderde investeringskosten e.d. gemaakt en zoals afgesproken bij het 3 fasen besluit? (zoals bij de vorige tranches: gezien )
- Wordt een herziening van de reservering voor demarcatie-investeringen overwogen?
- In welke mate/in welk tempo moeten de leningen benut worden bij uitvoering van dit plan?

6.

Hoe ziet het huidige tijdschema er nu uit?