Huishoudelijk reglement
Kenmerk:
Datum: juni 2005 (naamswijziging doorgevoerd op 16 juli 2008)
REGLEMENT OPLEIDINGSCOMMISSIE ST (OLC-ST)
Artikel 1: Algemene bepalingen
1. |
De Opleidingscommissie der Scheikundige Technologie is ingesteld ten behoeve van de combinatie van bacheloropleiding Scheikundige Technologie en de masteropleiding Chemical Engineering. Waar in dit reglement sprake is van de opleiding der Scheikundige Technologie (opleiding ST), dient de combinatie van deze beide opleidingen gelezen te worden. |
2. |
De Opleidingscomissie van de opleiding ST wordt de OLC-ST genoemd. |
3. |
In artikel 3 van het Faculteitsreglement van TNW is geregeld welke leerstoelen behoren tot de opleiding ST. |
4. |
Waar in dit reglement de mannelijke vorm wordt gebruikt, kan ook een vrouwelijke vorm worden gelezen. |
Artikel 2: Leden van de Opleidingscommissie.
1. |
De samenstelling van de OLC-ST en de benoeming van de OLC-ST-leden is geregeld in artikel 27 van het Faculteitsreglement van TNW. De vier personeelsleden zijn docent aan de opleiding en komen voort uit de wetenschappelijke staf. Twee leden vertegenwoordigen de bacheloropleiding en twee leden de afzonderlijke tracks van de masteropleiding. Van de vier studentleden komt minimaal één studentlid voort uit de bacheloropleiding en minimaal één studentlid uit de masteropleiding. |
2. |
De zittingstermijn van de leden is geregeld in artikel 27 van het Faculteitsreglement van TNW2. |
3. |
De OLC-ST-leden benoemen uit hun midden een voorzitter. Hierbij is ieder OLC-ST-lid verkiesbaar. |
4. |
De Opleidingsdirecteur ST woont alle vergaderingen van de OLC-ST bij als adviseur. Het staat de vergadering vrij om anderen voor advies uit te nodigen. |
Artikel 3: Taken van de OLC-ST
De taken van de OLC-ST zijn geregeld in artikel 28 van het Faculteitsreglement van TNW2.
Artikel 4: Taken van de voorzitter.
De voorzitter:
|
zit de vergadering voor, |
|
is lid van de agendacommissie, |
|
is verantwoordelijk voor de voortgang van de actiepunten, |
|
controleert de uitvoering van de besluiten/adviezen en de eventueel noodzakelijke terugkoppeling van/naar de Opleidingsdirecteur ST en de Decaan TNW, |
|
onderneemt initiatieven om de continuïteit bij de docentleden van de OLC-ST te waarborgen, |
|
stelt het jaarverslag op, |
|
draagt de kandidaatdocentleden en kandidaatstudentleden voor bij de decaan, ter benoeming. |
Artikel 5: Ondersteuning
De secretariële ondersteuning van de OLC-ST wordt verzorgd door het bureau onderwijszaken. De ondersteuning bestaat uit:
|
verspreiden van de agenda en vergaderstukken, |
|
verspreiden van de notulen, |
|
notuleren van de vergaderingen, |
|
bijwerken van de WEB-site van de OLC-ST, |
|
archiveren. |
Artikel 6: Relaties met faculteitsraad TNW, leerstoelen en studentenoverleg
1. |
De OLC-ST stuurt ter informatie de notulen van haar vergaderingen toe aan de faculteitsraad en de voorzitters van de leerstoelen. Terugkoppeling vanuit de leerstoelen vindt plaats via een docentlid uit de OLC-ST. |
2. |
Overdracht van informatie, van en naar de achterban van de studentleden, vindt plaats doordat tenminste één van de studentleden van de OLC-ST een vergadering van het ASOCT bijwoont. |
Artikel 7: Werkwijze van de OLC-ST
1. |
Vergaderfrequentie |
2. |
Openbaarheid |
3. |
Hoorzitting |
4. |
Agenda |
5. |
Absentie en machtiging |
Een OLC-ST-lid dat verhinderd is de vergadering bij te wonen, geeft dit zo tijdig mogelijk, bij voorkeur schriftelijk, door aan de voorzitter of notulist. Bij afwezigheid kan een lid bij volmacht zijn stem uitbrengen, echter alleen over onderwerpen die op de vooraf opgestelde agenda vermeld zijn.
6. |
Stemrecht |
7. |
Verslaglegging |
8. |
Informatierecht |
9. |
Werkgroepen |
10. |
Uitvoering adviezen en actiepunten |
Er dient naar de OLC-ST teruggekoppeld te worden over al dan niet opgevolgde besluiten en adviezen. De uitvoering van de door de vergadering voorgenomen actiepunten, dient te worden bewaakt.
11. |
Cursussen |
12. |
Jaarverslag |
BIJLAGE 1: Leerstoelen ST, ontleend aan Faculteitsreglement TNW, bijlage A.
BIJLAGE 2: Artikelen 27 en 28 Faculteitsreglement TNW (kaders OLS).
BIJLAGE 3: Artikelen 7.13 en 7.59 WHW (OER en Studentenstatuut)
BIJLAGE 4: Artikelen 9.17, 9.18 en 9.19 WHW (bevoegdheden t.a.v. onderwijs)
BIJLAGE 5: Artikelen 7.14, 9.35 en 9.38 WHW (beoordeling, adviesrecht en instemmingsrecht)
BIJLAGE 1 bij het Reglement Opleidingscommissie ST.
Leerstoelen behorend tot de opleiding ST (conform bijlage A, Faculteitsreglement TNW).
Functionele leerstoelen |
Bijzondere en vrije leerstoelen |
||||||||
Anorganische Materiaalkunde (AMK) |
|
||||||||
Chemische Analyse (CA) |
|
||||||||
Dynamica en Beheersing van Processen (DBP) |
|
||||||||
Fundamentele Aspecten van de Proceskunde (FAP) |
|
||||||||
Industriële Polymerisatieprocessen (IPP) |
|
||||||||
Katalytische Processen en Materialen (KPM) |
|
||||||||
Materiaalkunde en Technologie van Polymeren (MTP) |
|
||||||||
Membraantechnologie (MTO) |
|
||||||||
Ontwikkeling en Ontwerp van Industriële Processen (OOIP) |
|
||||||||
Polymeerchemie en Biomaterialen (PBM) |
|
||||||||
Rubbertechnologie (RBT) |
|
||||||||
Scheidingstechnologie (ST) |
|
||||||||
Supramoleculaire Chemie en Technologie (SMCT) |
|
BIJLAGE 2 bij het Reglement Opleidingscommissie ST.
Artikelen uit het Faculteits Reglement TNW m.b.t. de Opleidingscommissie
Artikel 27 De opleidingscommissies (WHW 9.18)
1. |
De decaan stelt opleidingscommissies in ten behoeve van de volgende opleidingen of combinatie van opleidingen: |
- |
De opleidingscommissie AT ten behoeve van de bacheloropleiding Advanced Technology (Technische Natuurwetenschappen) |
- |
Onderscheiden opleidingscommissies BMT, ST, TG en TN ten behoeve van de desbetreffende combinaties van bachelor- en daarop aansluitende masteropleidingen. |
- |
De opleidingscommissie Nanotechnologie ten behoeve van de masteropleiding Nanotechnologie. |
2. |
De leden van een opleidingscommissie worden benoemd door de decaan, die wat betreft de personeelsfracties rekening houdt met een zekere spreiding over de toeleverende disciplines. De student-leden worden voorgedragen door de studentenvertegenwoordiging van de desbetreffende opleiding of combinatie van opleidingen. |
3. |
De opleidingscommissie kiest uit zijn midden een voorzitter en, indien gewenst, een vice-voorzitter en secretaris. |
4. |
De opleidingscommissie bestaat uit ten minste vier ten hoogste acht leden en is voor de helft samengesteld uit personeelsleden en voor de helft uit de voor de opleiding en combinatie van opleidingen ingeschreven studenten. Indien er sprake is van een combinatie van bachelor- en de daarop aansluitende masteropleiding, dient de samenstelling van de opleidingscommissie uit studenten vanuit zowel de bachelor- als de masteropleiding te bestaan. |
5. |
De zittingstermijn van de leden van de opleidingscommissie bedraagt voor wat betreft de personeelsleden twee jaar en voor wat betreft de studenten één jaar. Zij zijn direct herbenoembaar. |
6. |
De opleidingsdirecteur neemt met adviserende stem deel aan de vergaderingen van de opleidingscommissie. |
Artikel 28 De taken van de opleidingscommissies (WHW 9.18)
1. |
Een opleidingscommissie heeft tot taak |
- |
advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling van de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. |
- |
het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoering van de onderwijs- en examenregeling. |
- |
het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan de opleidingsdirecteur en de decaan over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de opleiding. |
2. |
Alvorens advies uit te brengen wordt de opleidingscommissie in de gelegenheid gesteld in ieder geval overleg te voeren met de opleidingsdirecteur en, indien de commissie dat wenselijk acht, met de decaan. |
3. |
De opleidingscommissie overlegt ten minste twee keer per studiejaar met de opleidingsdirecteur |
4. |
De opleidingscommissie wordt door de opleidingsdirecteur c.q. de decaan zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de wijze waarop aan uitgebrachte adviezen gevolg is gegeven. |
BIJLAGE 3 bij het Reglement Opleidingscommissie ST.
Artikel uit de WHW m.b.t. de OER en het studentenstatuut
Artikel 7.13 Onderwijs- en examenregeling
1. Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.
2. In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet ter zake bepaalde, ten minste geregeld:
a. |
de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens, |
b. |
de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding, |
c. |
de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven, |
d. |
waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen, |
e. |
de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden, |
f. |
de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid, |
g. |
ten aanzien van welke masteropleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4a, zevende lid, |
h. |
het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden, |
i. |
de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding, |
j. |
waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens, |
k. |
waar nodig, de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur te verlengen, |
l. |
of de tentamens mondeling, schriftelijk of op een andere wijze worden afgelegd, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen, |
m. |
de wijze waarop lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte studenten redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen, |
n. |
de openbaarheid van mondeling af te nemen tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen, |
o. |
de termijn waarbinnen de uitslag van een tentamen bekend wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken, |
p. |
de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk, |
q. |
de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen, en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden, |
r. |
de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs dan wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer tentamens, |
s. |
waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van andere tentamens, |
t. |
waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging van vervangende eisen, |
u. |
de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding, en |
v. |
de wijze van beoordeling door het instellingsbestuur van gevallen als bedoeld in artikel 7.31a, derde lid. |
3. In de onderwijs- en examenregeling wordt met het oog op de doorstroming van personen aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, voor elke bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in een voorkomend geval voor een afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding ten minste een master- opleiding aangewezen die aansluit op die bacheloropleiding of die afstudeerrichting.
4. De in het derde lid bedoelde masteropleiding wordt aan de desbetreffende universiteit aangeboden, tenzij er uitzonderlijke redenen zijn waardoor dit niet mogelijk is. In dat geval kan het instellingsbestuur van deze universiteit met een andere universiteit overeenkomen dat de betreffende masteropleiding aan die andere universiteit wordt aangeboden. De desbetreffende overeenkomst regelt de wijze waarop de doorstroming van personen, bedoeld in het derde lid, wordt gewaarborgd. De overeenkomst behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsorganen van de betrokken universiteiten.
Toelichting
De minimum inhoud van de onderwijs- en examenregeling (OER) die elke opleiding of groep opleidingen moet hebben, is gegeven in artikel 7.13. Het wordt vastgesteld door het instellingsbestuur, veelal door het faculteitsbestuur, in de universiteit altijd door het één- of meerhoofdig faculteitsbestuur. De OER kan worden gezien als 'een getrouw portret' van de opleiding en is qua functie het centrale document in het onderwijsbedrijf.
Artikel 7.59 Studentenstatuut
1. Het instellingsbestuur stelt het studentenstatuut vast en maakt dit bekend.
2. Het instellingsbestuur reikt aan iedere student bij de eerste inschrijving voor een opleiding het studentenstatuut uit. lndien noodzakelijk reikt het instellingsbestuur ook bij inschrijving voor een volgend studiejaar het studentenstatuut uit.
3. Het studentenstatuut omvat een opleidingsspecifiek deel en een instellingsspecifiek deel.
4. Het opleidingsspecifiek deel bevat in elk geval:
a. |
een beschrijving van de studieopbouw en de ondersteunende faciliteiten die de student door de instelling worden aangeboden, waaronder in ieder geval worden begrepen: |
1. |
informatie over de opzet, organisatie en uitvoering van bet onderwijs, |
2. |
studentenvoorzieningen, en |
3. |
de faciliteiten betreffende de studiebegeleiding. |
b. |
de vastgestelde onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13. eerste lid. |
c. |
een beschrijving van procedures die in aanvulling op de procedures bedoeld in het vijfde lid onder b ten 2e op de opleiding van toepassing zijn. |
5. Het instellingsspecifiek deel bevat in elk geval:
a. |
een beschrijving van de rechten en verplichtingen van de studenten, voortvloeiende uit het bepaalde bij of krachtens de wet, en |
b. |
een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van studenten te beschermen, waarin worden opgenomen: |
1. |
een beschrijving van de procedures voor bezwaar en beroep binnen de instelling, alsmede van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen, en |
2. |
een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het instellingsbestuur worden getroffen. |
Toelichting4
De WHW bevat met name in hoofdstuk 7 een aantal bepalingen die de rechtspositie van studenten waarborgt. Deze rechten komen samen in artikel 7.59 dat de instelling verplicht een Studentenstatuut te onderhouden. Dit Studentenstatuut moet worden gezien als een bundeling van regels - rechten en verplichtingen van studenten - die reeds op andere wijze zijn vastgesteld (zuiver declaratoir statuut). De rechtsbescherming is in belangrijke mate in de vorm van eisen aan de onderwijs- en examenregeling (artikeI 7.13 WHW) gegoten waarin deze nader door de instelling zeIf wordt ingevuld.
BIJLAGE 4 bij het Reglement Opleidingscommissie ST.
Artikelen uit de WHW m.b.t. het bestuur van de opleiding
Artikel 9.17 Bestuur opleidingen
l. De decaan voorziet in een meerhoofdig bestuur van elke opleiding die in de faculteit is ingesteld. In afwijking van de eerste volzin kan volstaan worden met een opleidingsdirecteur.
2. Indien in een meerhoofdig bestuur wordt voorzien, maakt daarvan een student deel uit.
3. In het faculteitsreglement worden nadere regels gesteld omtrent het bestuur van de opleidingen.
4. Een lid van het bestuur van de opleiding kan niet tevens lid zijn van de opleidingscommissie van die opleiding.
5. Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen.
Artikel 9.18 Opleidingscommissies
1. Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak:
a. |
advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikeI 7.13, |
b. |
bet jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en |
c. |
bet desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan bet bestuur van de opleiding, bedoeld in artikeI 9.17, eerste lid, en de decaan over aIle aangelegenheden betreffende bet onderwijs in de desbetreffende opleiding. |
2. Op een advies als bedoeld in bet eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b en c, van overeenkomstige toepassing.
3. In het faculteitsreglement wordt de wijze van benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande dat de helft van bet totaal aantalleden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.
4. Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37.
5. Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en één of meer daarop aansluitende masteropleidingen.
Artikel 9.19 Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren
1. Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.
2. De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17.
3. Eervol ontslagen hoogleraren behouden nag gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden.
4. De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.
Toelichting
Artikel 9.17-9.19 betreft het bestuur van opleidingen, de taak van de opleidingscommissie en de rechten en verantwoordelijkheden van de hoogleraren. Het opleidingsbestuur kan eenhoofdig zijn (de opleidingsdirecteur) maar ook meerhoofdig; in dat laatste geval moet daarvan ook een student deel uitmaken. Het opleidingsbestuur is geïntroduceerd om te waarborgen dat er per opleiding één persoon of orgaan aanspreekbaar is op de kwaliteit van het onderwijs.
De opleidingscommissie dient ter versterking van de positie van de studenten bij de uitvoering van het onderwijs. Het ligt voor de hand dat als een faculteit een aantal opleidingen omvat waarvoor tamelijk weinig studenten zijn ingeschreven, voor die opleidingen gezamenlijk een opleidingscommissie kan worden ingesteld, zolang elke opleiding maar in die commissie is vertegenwoordigd. Door opname van de expliciete mogelijkheid in artikel 11.11 voor de OU, moet a contrario eigenlijk worden aangenomen dat een opleidingscommissie voor een groep opleidingen bij universiteiten en hogescholen niet mogelijk is. De opleidingscommissie heeft twee taken: adviseren en overleg. De wet spreekt van 'benoeming' van de leden van de opleidingscommissie, maar laat toe dat dit gescheidt na een verkiezing.
Hoogleraren worden niet aangesteld bij een faculteit of onderdeel daarvan, maar bij de universiteit. In hun benoemingsbesluit wordt het wetenschapsgebied vermeld waarop zij hun onderwijs- en onderzoektaken uitoefenen. Hij is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied. De bevoegdheden van het opleidingsbestuur vinden hier hun grens. Hij richt zijn onderwijs en onderzoek zelfstandig in (leerstoelgedachte).
BIJLAGE 4 bij het Reglement Opleidingscommissie ST.
Artikelen uit de WHW m.b.t. beoordeling, adviesrecht en instemmingsbevoegdheid
Artikel 7.14 Beoordeling onderwijs- en examenregeling
Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de onderwijs- en examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zonodige bijstelling van de studielast, het tijdbeslag dat daaruit voor de studenten voortvloeit.
Artikel 9.35 Advies
lndien een te nemen besluit op grond van het bepaalde in het reglement van de universiteitsraad, krachtens artikel 9.34, derde lid onderdeel b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de raad, draagt het college van bestuur er zorg voor dat:
a. |
advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming, |
b. |
de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht, |
c. |
de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en |
d. |
de raad, indien het college van bestuur het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen. |
Artikel 9.38 Instemmingsbevoegdheid faculteitsraad
De decaan behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:
a. |
het faculteitsreglement, bedoeld in artikel 9.14, en |
b. |
de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, en met uitzondering van het derde lid. |