Beoordelingsvoorschrift voor promovendi
De CAO Nederlandse Universiteiten 2004-2005, artikel 3.10 vormt de basis voor onderstaand beoordelingsvoorschrift voor promovendi:
1. |
Een beoordeling in de zin van dit voorschrift is het oordeel van de leidinggevende van de promovendus over de wijze waarop de promovendus haar functie heeft uitgeoefend. |
2. |
Een beoordeling van de promovendus vindt plaats voorafgaand aan elke salarisverhoging zoals bedoeld in artikel 3.10 van de CAO Nederlandse universiteiten. |
3. |
De leidinggevende kondigt de promovendus tijdig aan dat een beoordeling zal plaatsvinden. |
4. |
Bij wederzijds goedvinden tussen promovendus en leidinggevende kan van een beoordeling worden afgezien in het tweede en de volgende jaren van het promotietraject, mits de decaan hiervoor schriftelijke toestemming verleent. In dat geval wordt er wel jaarlijks een jaargesprek gehouden. |
5. |
De promovendus stelt een voortgangsrapportage op. Op basis van deze voortgangsrapportage stelt de leidinggevende een concept-beoordeling op waarin gemotiveerd wordt aangegeven of de promovendus in staat wordt geacht binnen de gestelde periode te promoveren. De leidinggevende die geen promotor is, raadpleegt de promotor. |
6. |
De leidinggevende stelt de concept-beoordeling in ieder geval twee weken voordat het gesprek waarin deze concept-beoordeling wordt besproken, ter beschikking aan de promovendus. In het beoordelingsgesprek wordt de voortgangsrapportage besproken en licht de leidinggevende de concept-beoordeling toe. De promovendus krijgt in dit gesprek de gelegenheid op deze concept-beoordeling te reageren. |
7. |
De promovendus kan zich in het gesprek door iemand laten vergezellen. |
8. |
De leidinggevende maakt een verslag van het gesprek en concludeert of de concept-beoordeling in stand blijft of gewijzigd moet worden. De leidinggevende stelt de promovendus schriftelijk in kennis van het verslag en zijn conclusies over de concept-beoordeling. De promovendus tekent de beoordeling voor gezien, ook als de promovendus het inhoudelijk niet eens is met de beoordeling. |
9. |
Binnen twee weken nadat de promovendus schriftelijk in kennis is gesteld, zoals bedoeld in punt 8, kan de promovendus eventuele bedenkingen schriftelijk indienen bij de decaan. |
10. |
Na afloop van de periode dat de promovendus bedenkingen kon indienen, ontvangt de decaan van de leidinggevende de concept-beoordeling en neemt de decaan een besluit met betrekking tot de vaststelling van de beoordeling op grond van de concept-beoordeling, het verslag en de conclusies van de leidinggevende en de eventuele bedenkingen van de promovendus. Ook neemt de decaan een besluit over toepassing van artikel 3.10 lid 3 en 4 CAO Nederlandse universiteiten. |
11. |
De promovendus kan tegen het besluit met betrekking tot vaststelling van de beoordeling en de periodieke salarisverhoging bezwaar maken volgens de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. |
12. |
Deze regeling treedt met ingang van 1 februari 2006 in werking. |
Toelichting
· |
Artikel 3.10 van de CAO Nederlandse universiteiten geeft aan dat de promovendus bij aanvang van het dienstverband wordt ingedeeld in salaristrede P 0 voor de duur van 12 maanden. Aan het einde van die periode vindt een beoordelingsgesprek plaats. Na een gunstige beoordeling wordt de promovendus ingedeeld in salaristrede P 1. Ook elke volgende salarisverhoging vindt pas plaats na een jaarlijkse beoordeling. Om uitvoering te geven aan artikel 3.10 van de CAO is dit beoordelingsvoorschrift vastgesteld. |
· |
Met een promovendus wordt een dienstverband voor bepaalde tijd voor de beoogde duur van het promotietraject aangegaan. Volgens de CAO moet er jaarlijks een beoordeling van de promovendus plaatsvinden. Binnen de Universiteit Twente is het doel van de beoordeling om te toetsen of de voortgang van de werkzaamheden en de resultaten het vertrouwen geven dat de promotie binnen de beoogde periode wordt afgerond. Als de toetsing positief is, vindt een jaarlijkse periodieke salarisverhoging plaats. |
· |
Bij 4. Het is mogelijk om bij wederzijds goedvinden tussen leidinggevende en promovendus af te zien van een beoordeling. Hiervoor moet de decaan schriftelijk toestemming verlenen. Bij het afzien van een beoordeling wordt er van uit gegaan dat het promotietraject goed verloopt. Een uitzondering hierop is de beoordeling een jaar na ingang van het dienstverband. Die beoordeling moet plaatsvinden omdat een oordeel wordt gegeven of de promovendus het promotietraject wel of niet kan voortzetten. Bij het afzien van een beoordeling vindt er jaarlijks een jaargesprek plaats. |
· |
Bij 5/6. Als randvoorwaarde bij het beoordelingsvoorschrift is een lage administratieve belasting gesteld. Om uitvoering te geven aan deze randvoorwaarde is het uitgangspunt dat de promovendus een voortgangsrapportage schrijft. Vervolgens zal de leidinggevende zijn oordeel geven over de inhoud van de rapportage en zijn verwachtingen voor de toekomst. Het oordeel van de leidinggevende wordt vastgelegd in een concept-beoordeling. |
· |
Bij 8. Op het beoordelingsformulier maakt de leidinggevende aantekeningen van wat de promovendus naar voren brengt in het beoordelingsgesprek. Dit wordt aangemerkt als het gespreksverslag. |