Werken tijdens Zwangerschap en Borstvoeding
1. Inleiding
De UT is als werkgever verplicht om de gezondheid van moeder en kind tijdens de zwangerschap en periode van borstvoeding zo goed mogelijk te beschermen. Dit betekent dat het werk zo moet worden georganiseerd dat zwangere medewerksters en jonge moeders veilig en gezond kunnen werken en dat het werk geen negatieve invloed heeft op de zwangerschap of de borstvoeding.
Uitgangspunt hierbij is dat men tijdens de zwangerschap en periode van borstvoeding zoveel mogelijk het eigen werk kan blijven doen, in de eigen functie en op de eigen werkplek. Dit sluit aan op de relevante wet- en regelgeving (zie bijlage 1).
2. Aandachtspunten arbobeleid zwangere medewerksters Universiteit Twente
Per beheerseenheid binnen de UT dient bekend te zijn welke gevaren er op de werkplek zijn voor zwangere medewerksters en jonge moeders, welke maatregelen noodzakelijk om de gevaren te voorkomen en hoe medewerkers worden geïnformeerd over deze gevaren en maatregelen. Uitgangspunt hiervoor is de risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) van de beheerseenheid.
2.1 Risico-inventarisatie en evaluatie
Elke beheerder binnen de UT is verplicht om een RI&E op te stellen. Hierin staat beschreven hoe medewerkers veilig en gezond kunnen werken, inclusief een inventarisatie van de specifieke risico's voor medewerksters tijdens de zwangerschap en de periode van de borstvoeding.
Voor de drie technische faculteiten betekent dit dat o.a. voldaan moet worden aan de aanvullende registratieplicht van voor de voortplanting giftige stoffen (zie UT-richtlijn werken met kankerverwekkende en reprotoxische stoffen). Naast het werken met chemische stoffen zijn er ook andere risico’s tijdens de zwangerschap en/of periode van borstvoeding. Dit zijn:
- Fysiek zwaar werk
Tijdens de zwangerschap mag een medewerkster niet verplicht worden om zwaar lichamelijk werk te doen, zoals zwaar tillen, trekken, duwen of dragen en het staande bedienen van voetpedalen. Zeker in de laatste drie maanden voor de bevalling is het beter om dit zware werk zoveel mogelijk te beperken. Voorkomen moet worden dat zwangere medewerksters lang staan of zitten (langer dan 4 uur achtereen). In de laatste drie maanden van de zwangerschap is vaker dan één keer per uur bukken, hurken of knielen niet toegestaan. Het handmatig tillen van zware lasten moet zoveel mogelijk beperkt worden. Is tillen toch nodig, dan moet de in één handeling te tillen last minder zijn dan tien kilo. Vanaf de twintigste week van de zwangerschap mag niet vaker dan tien keer per dag meer dan vijf kilo worden getild. Vanaf de dertigste zwangerschapsweek mag niet vaker dan vijf keer per dag meer dan vijf kilo worden getild.
- Ioniserende straling
Het ongeboren kind is zeer gevoelig voor ioniserende straling, met name tussen de achtste en vijftiende week van de zwangerschap. In de regeling Stralingsbescherming UT is opgenomen dat de blootstelling van de zwangere vrouw tijdens haar beroepswerkzaamheden zo gering dient te zin als redelijkerwijs haalbaar is. De arbeidsomstandigheden dienen van zodanige aard te zijn dat gewaarborgd is dat de equivalente dosis voor de foetus gedurende de rest van de zwangerschap niet meer dan 1 mSv bedraagt. Hieraan kan worden voldaan door de zwangere medewerkster niet in te delen in categorie A of categorie B (zie regeling Stralingsbescherming UT).
- Niet-Ioniserende straling
Van alle typen straling die vallen in de categorie niet-ioniserende straling kunnen bepaalde vormen van radiofrequentevelden en extreem laag frequente (ELF) velden leiden tot nadelige effecten op het ongeboren kind. In de zwangerschap kan blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden door ernstige hyperthermie (opwarming) van het ongeboren kind leiden tot aangeboren afwijkingen. Het schadelijke frequentiegebied ligt tussen 80 MHz en 1500 MHz, waarbij de precieze frequentie afhankelijk is van de grootte van het ongeboren kind en dus verandert in de zwangerschap.
Voor het ongeboren kind wordt de norm voor de algemene bevolking gehanteerd, die vijf keer lager is dan die voor de beroepsbevolking. Blootstelling van een zwangere medewerkster aan de voor haar hoogst toelaatbare dosis, kan voor het ongeboren kind dus te hoog zijn.
Het in de zwangerschap uitvoeren van werkzaamheden waarbij blootstelling plaatsvindt aan hoge veldsterkte van ELF-velden, en aan sterke RF-velden is derhalve niet toegestaan. Zie voor meer informatie de richtlijn werken met niet-ioniserende straling. Blootstelling van zwangere medewerksters aan elektromagnetische straling boven de norm voor dragers van pacemakers (0,5 mT) dient te worden voorkomen in verband met nog onbekende risico’s.
Straling van bijvoorbeeld beeldschermen en elektrische apparaten levert in het algemeen geen extra problemen op tijdens de zwangerschap. Ook ultraviolette straling, zichtbaar licht en infrarode straling leveren voor zwangere medewerksters geen extra problemen op.
- Trillingen
De kans op rugklachten door blootstelling aan lichaamstrillingen is door de zwangerschap verhoogd. Daarnaast leidt blootstelling aan lichaamstrillingen tot een hoger risico op vroeg- en doodgeboorte.
Een zwangere medewerkster mag bij een achturige blootstelling (de gehele werkdag) niet worden blootgesteld aan lichaamstrillingen of -schokken met een versnelling van meer dan 0,25 m/s2. Bij een kortere blootstellingsduur zijn hogere versnellingen toelaatbaar. De daarvoor geldende regels komen er op neer dat bij een verdubbeling van de trillingssterkte de toegelaten blootstellingstijd met een factor vier wordt verminderd. Aan een trillingssterkte van 0,5 m/s2 mag een zwangere medewerkster dus twee uur per dag worden blootgesteld.
Als de blootstelling aan trillingen niet onder de 'dosis' van een achturige blootstelling aan 0,25 m/s2 kan worden gehouden, mogen deze werkzaamheden gedurende de zwangerschap niet worden verricht.
- Schadelijk geluid
Blootstelling aan geluidsniveaus boven de 80 dB(a) en piekgeluiden boven de 200 Pa (wordt 112 Pa) moeten worden voorkomen. Met name het ongeboren kind is gevoelig voor schadelijk geluid.
- Ultrasone trillingen en ultrageluid
Direct contact met ultrasone trillingen kunnen schadelijke effecten hebben op het ongeboren kind. Een ultrasone trilling is een mechanische trilling die zich met de geluidssnelheid voortplant in een vaste stof, in een vloeistof of in de lucht. Ultrageluid ontstaat als de ultrasone trilling de mechanische energie naar de lucht afgeeft. Ultrageluid is voor de mens niet hoorbaar; het is geluid met een kleine golflengte en een frequentie boven de 20 kHz.
Direct contact van het lichaam met de vaste stof of de vloeistof waarin de ultrasone trilling zich voortplant kan leiden tot weefselbeschadiging. Het ongeboren kind is hier over het algemeen gevoelig voor. Weefselbeschadiging bij het ongeboren kind kan leiden tot aangeboren afwijkingen.
De zwangere medewerkster mag derhalve niet worden verplicht om in direct contact te komen met een ultrasonore trillingsbron. Voor ultrasonore luchttrillingen met frequenties boven 20 kHz geldt als voorlopige grenswaarde 110dB(A) per tertsband.
- Biologische agentia
Binnen de UT wordt op zeer beperkte schaal gewerkt met biologische agentia. In de RI&E dient een overzicht opgenomen te zijn van de agentia waarvoor een gerede kans op blootstelling bestaat in de werksituatie en welke in de zwangerschap en/of in de periode van borstvoeding een specifiek of groter risico zijn. Zie voor meer informatie de richtlijn gericht werken met biologische agentia en genetisch gemodificeerde organismen.
Op basis hiervan kan besloten worden het geven van een vaccinatie of het niet verrichten van bepaalde werkzaamheden gedurende de zwangerschap en/of periode van borstvoeding. Zwangere medewerksters worden niet gevaccineerd tegen hepatitis B. Eventueel kan wel Hepatitis B immuunglobulinen worden toegediend na een verdacht incident.
In bijlage 2 is een samenvatting opgenomen van de arbeidsrisico’s en specifieke maatregelen (niet-limitatief) tijdens de zwangerschap en de periode van borstvoeding
2.2. Voorlichting
Op grond van de arbowet moeten alle medewerkers worden voorgelicht over de risico’s van het werk en over de genomen en te nemen maatregelen om veilig en gezond te werken. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen voorlichting voor (nieuwe) medewerkers en voorlichting voor medewerksters die zwanger zijn. T.a.v. de risico’s van het werken met stoffen die de voortplanting schaden dienen ook mannelijke medewerkers die met dergelijke stoffen werken, voorlichting te krijgen. Dit is niet opgenomen in deze regeling, hiervoor wordt verwezen naar de UT-regeling werken met kankerverwekkende en reprotoxische stoffen.
2.2.1 Voorlichting nieuwe medewerkers.
Bij de introductie van (nieuwe) vrouwelijke medewerkers zorgt de beheerder ervoor dat deze mensen informatie krijgen over het arbobeleid voor zwangere medewerksters binnen de beheerseenheid. Bij de aanwezigheid van voor de voortplanting giftige stoffen binnen de beheerseenheid wordt hierbij ingegaan om welke stoffen het gaat, de mogelijke gevaren voor de gezondheid en welke veiligheidsvoorschriften gelden ter voorkoming van blootstelling (b.v. werken in zuurkast/ handschoenen enz. enz.).
2.2.2 Voorlichting zwangere medewerkster
Binnen twee weken nadat de medewerkster heeft gemeld zwanger te zijn draagt de beheerder er voor zorg dat voorlichting wordt gegeven over de mogelijke gevaren voor de zwangere medewerkster en het ongeboren kind. De algemene brochure van het ministerie van SZW kan hiervoor gebruikt worden. Daarnaast dient (indien van toepassing) specifiek te worden ingegaan op het register van voor de voortplanting giftige stoffen van de beheerseenheid en de mogelijk andere aanwezige risico’s tijdens de zwangerschap en periode van borstvoeding. Basis hiervoor is de RI&E van de beheerseenheid. De uitvoering van de werkzaamheden moet zodanig zijn dat de werkzaamheden veilig en gezond kunnen worden uitgevoerd. Indien hier twijfel over bestaat of in geval de zwangere medewerkster problemen heeft met bepaalde werkzaamheden worden nadere afspraken gemaakt die gedurende de zwangerschap en/of periode van borstvoeding gelden (aanpassing werk/ander werk). De afspraken worden schriftelijk vastgelegd (zie voorbeeld in bijlage 3). In alle gevallen (ook indien geen afspraken worden gemaakt) wordt dit formulier door of namens de beheerder en zwangere medewerkster ondertekent.
2.3. Borstvoeding en werk
De beheerder voorziet in de mogelijkheid om het werk na het bevallingsverlof te combineren met het geven van borstvoeding. Gedurende de eerste negen maanden na de bevalling mag een medewerkster het werk onderbreken voor kolven of het geven van borstvoeding. Dat mag zo vaak en zo lang als nodig is, maar niet meer dan een kwart van de arbeidstijd. De beheerder dient een geschikte, afsluitbare ruimte beschikbaar te stellen voor rusten, voeden of kolven (met bed of rustbank). Indien een dergelijke ruimte er niet is, wordt de medewerkster in de gelegenheid gesteld om zelf een plek te regelen of naar de baby toe te gaan (totdat het kind negen maanden is).
3. Implementatie binnen de UT
De zorg voor goede werkomstandigheden voor medewerkers met een kinderwens, zwangere medewerksters en medewerksters die borstvoeding geven is de eindverantwoordelijkheid van de beheerder. De beheerder wordt hierin bijgestaan door deskundigen (arbo- en milieucoördinator van de beheerseenheid, arbeidshygiënist PA&O, bedrijfsarts arbodienst, P&O-adviseur van de beheerseenheid en de direct leidinggevende).
De zwangere medewerkster is verantwoordelijkheid voor het melden in een zo vroeg mogelijk stadium van de zwangerschap en verwachte bevallingsdatum. Ook dient ze aan te geven welke werkzaamheden voor haar te belastend zijn en welke aanpassingen gewenst zijn. Als bepaalde aanpassingen niet mogelijk zijn, dient dit beargumenteerd te worden (zie hiervoor § 2.2.2). De P&O-adviseur kan de leidinggevende adviseren over tijdelijke aanpassing van de werkzaamheden van de medewerker en mogelijkheden tot vervanging bij zwangerschap en/of ouderschapsverlof. De arbo- en milieucoördinator kan adviseren over de (beheersing van) risico’s. De bedrijfsarts is degene die kan beoordelen welke belastbaarheid de zwangere heeft. Toezicht op de aanpassing van de werkzaamheden (de te nemen maatregelen) wordt uitgevoerd door de direct leidinggevende.
Wanneer een zwangere medewerkster door de aard van haar werkzaamheden deze (gedeeltelijk) niet kan uitvoeren, kan via de bedrijfsarts van de arbodienst een beroep worden gedaan op de Wet Arbeid en Zorg (WAZO). Zoals bij alle ziektegevallen die vallen onder de Wet verbetering Poortwachter moet ook bij zwangere medewerksters gezocht worden naar passend ander werk.