Arbo- en milieureglement UT

1.1 Inleiding

Het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek is – naast het geven van onderwijs – een belangrijke peiler van de Universiteit Twente (UT). Binnen de UT wordt gestreefd naar kwalitatief hoogwaardig onderzoek die zowel vernieuwend als ook relevant voor de maatschappij is.

Het onderzoek moet echter ook zodanig worden uitgevoerd dat het risico op schade voor mens en milieu minimaal is. Enkele voorvallen uit het verleden hebben aangetoond dat een veilige aanpak niet altijd vanzelfsprekend is.

Om het veiligheidsbeleid op de UT meer structuur te geven, zijn in het UT arbo- en milieu meerjarenplan 1999 –2002 een aantal potentiële risicobronnen aangewezen waarvoor centrale richtlijnen opgesteld moesten worden. Dit zijn:

-

gevaarlijke stoffen (o.a. carcinogene en reprotoxische stoffen);

-

biologische agentia (genetisch gemodificeerde organismen en pathogene micro-organismen);

-

schadelijk geluid;

-

niet-ioniserende straling (o.a. lasers);

-

arbeidsmiddelen;

-

persoonlijke beschermingsmiddelen.

De richtlijnen geven de kaders aan waarbinnen gewerkt dient te worden. De specifieke omstandigheden in eenheden kunnen met zich meebrengen dat aanvullende regels noodzakelijk zijn. In dat geval werken de eenheden de richtlijnen verder uit tot facultaire regels. In het geval dat de richtlijnen, of een gedeelte van de richtlijnen, binnen een faculteit moeilijk toepasbaar zijn, dient in overleg met de AMC-er een dusdanig beschermingsniveau gekozen te worden dat tenminste aantoonbaar gelijkwaardig is.

De regels en voorschriften zijn opgesteld door de dienst Personeel, Arbeid & Organisatie (PA&O) en zullen periodiek geactualiseerd worden. Bovendien zal in de toekomst een uitbreiding met meerdere onderwerpen volgen.

1.2 Stappenplan voor beheersen van risico’s

Voordat een (onderzoeks)project een aanvang kan nemen zijn, ten aanzien van de preventie van gevaren, drie zaken van wezenlijk belang:

1.

Hoe zijn de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden geregeld?
Hieronder vallen zaken als: wie is de toezichthouder m.b.t. veiligheid en gezondheid, wat mag deze persoon wel of niet doen en wie meldt als het fout gaat?

2.

Wat zijn de risico’s die tijdens het uitvoeren van het project kunnen optreden?
Het is hierbij van belang dat de risicobronnen worden beschreven, de gevolgen van de risico’s en de personen die het risico lopen. Belangrijk is dat hierbij ook wordt nagegaan of de voorgestelde werkzaamheden in het project sowieso nodig zijn, of dat ook volstaan kan worden met, in geval van bijvoorbeeld werken met toxische stoffen, gebruik van minder schadelijke stoffen.

3.

Welke organisatorische of technische maatregelen moeten genomen worden om de risico’s te elimineren dan wel sterk te beperken?
De volgorde van de beschermende/beperkende maatregelen is niet geheel vrijblijvend, hiervoor dient de arbeidshygiënische strategie gevolgd te worden. Dit houdt in dat achtereenvolgens gekeken wordt naar:

· maatregelen om de bron (van de risico’s) te verwijderen;

· maatregelen om de bron in te pakken (ventilatie, omkasting);

· maatregelen om de blootstelling aan de bron te beperken (organisatorisch, scheiding van mens en bron);

· persoonlijke beschermingsmiddelen.

Klik hier voor een schematisch overzicht van de te doorlopen stappen.

1.3 Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden

1.3.1 Algemene regels met betrekking tot de verantwoordelijkheid

Het College van Bestuur is - als formele werkgever - eindverantwoordelijk voor veiligheid, gezondheid, welzijn en milieu binnen de UT. Deze verantwoordelijkheden zijn gemandateerd aan decanen, onderzoeksdirecteuren en diensthoofden conform notitie BB/98/98 188/VdZ.

Echter, veel kennis over de gevaren voor de gezondheid en veiligheid die beheerst moeten worden, is verzameld bij de medewerkers en leidinggevenden van afdelingen waar deze gevaren optreden. De verantwoordelijkheid om op een juiste manier met de regels en voorschriften om te gaan, ligt niet alleen bij de leidinggevenden, maar ook bij de medewerkers van deze afdelingen.

In de praktijk zal vaak een direct leidinggevende of arbo- of veiligheidscoördinator bij het toezicht betrokken zijn. Het is van belang dat duidelijk is afgesproken welke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden de verschillende betrokkenen hebben.

1.3.2 Verantwoordelijkheden bij gebruik van lasers en biologische agentia

Bovenstaande algemene regels met betrekking tot verantwoordelijkheden gaat in twee gevallen niet op, namelijk indien gewerkt wordt met biologische agentia of met lasers van klasse 2 en hoger.

Indien met genetisch gemanipuleerde organismen (GGO's) wordt gewerkt, is de werkgever verplicht een biologische veiligheidsfunctionaris (BVF) aan te stellen. Deze medewerker is werkzaam als staffunctionaris. Per project moet een verantwoordelijk medewerker (VM) aangesteld worden die de lijnverantwoordelijkheid heeft voor de dagelijkse gang van zaken.

Indien in een eenheid gewerkt wordt of gewerkt gaat worden met lasers van klasse 2 en hoger dan dient de beheerder tenminste één laserverantwoordelijke aan te stellen. Het is de eigen keus van een beheerder om - naast de laserverantwoordelijke voor de eenheid - meerdere medewerkers aan te wijzen die moeten toezien op een veilig gebruik van lasers in een gedeelte van de eenheid (bijvoorbeeld per leerstoel).

1.3.3 Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Van belang is dat de taken (verantwoordelijkheden) en bevoegdheden aan de toezichthouder (bijvoorbeeld verantwoordelijke (direct)leidinggevende) toebedeeld worden. Dit dient schriftelijk worden vastgelegd.

Taken toezichthouder:

§

Eventueel (laten) opstellen en wijzigen van interne procedures en voorschriften;

§

Uitoefenen van interne controle op de naleving van de regelgeving, voorschriften en procedures;

§

Het optreden bij incidenten, ongevallen en overtredingen van de regels;

§

In voorkomende gevallen de ongevallen en incidenten melden bij de beheerder en PA&O;

§

Het (laten) geven van voorlichting en onderricht.

Bevoegdheden toezichthouder :

§

Werk stilleggen indien niet conform regels wordt gewerkt;

§

Medewerkers aanspreken op hun gedrag (waarschuwingen geven).

Minimale eisen die aan toezichthouder gesteld moeten worden:

§

op de hoogte zijn van de gevaren en risico's van de werkzaamheden;

§

op de hoogte zijn van technieken om veilig te werken en/of risico's te reduceren;

§

op de hoogte zijn van de relevante regelgeving (arbowetgeving, regelgeving binnen eenheid).

1.3.4 Aanvullende eisen voor uitoefenen functie van biologische veiligheidsfunctionaris (BVF) en laserverantwoordelijke

Voor BVF en laserverantwoordelijke gelden aanvullende eisen voor het uitoefenen van hun functie.

Aanvullende eisen biologische veiligheidsfunctionaris:

·

acceptatie van aanstelling als BVF door het vergunningverlenende overheidsorgaan;

·

opleiding op HBO- of universitair-niveau;

·

op de hoogte zijn van de gebruikte technieken en toegepaste veiligheidsmaatregelen ten aanzien van de gebruikte gemodificeerde organismen en biologische agentia; vertrouwd met de gebruikte veiligheidsapparatuur.

Aanvullende eisen laserverantwoordelijke:

·

functioneren op HBO niveau;

·

fysische, technische en gezondheidskundige aspecten van (veilig) lasergebruik goed kunnen overzien;

·

aantoonbare ervaring en kennis op lasergebied of deze kennis door het volgen van een gerichte aanvullende studie verkregen. Kennis noodzakelijk m.b.t.: werking, basisprincipes, toepassingen, classificaties, beschermingsmaatregelen en –middelen, controlemetingen, voorschriften, stralings-karakteristieken, smalle divergentie/optische dichtheid, biologische effecten, kritieke organen, geabsorbeerde energie etc.

·

goede communicatieve vaardigheden en acceptatie als deskundig gesprekspartner bij onderzoekers, technici en overige betrokkenen is daarbij noodzakelijk.

·

Kennis van actuele wetgeving op dit gebied.

·

De naam van de laserverantwoordelijke moet schriftelijk worden gemeld bij het College van Bestuur en PA&O.

1.4 Periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek

Elke werknemer heeft het recht om periodiek een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. Het doel van het onderzoek is om de risico’s voor het werk voor de gezondheid zoveel mogelijk te beperken. Het is dus niet de bedoeling dat de werknemers een algeheel gezondheidsonderzoek aangeboden krijgen.

Op grond van de risico-inventarisatie en –evaluatie en het advies van de arbodienst moet de werkgever in overleg met de ondernemingsraad de inhoud van het onderzoek vaststellen en bepalen welke werknemers zich met welke frequentie mogen laten onderzoeken.