Minimum oppervlakte kantoorwerkplekken

Inleiding

De minimaal benodigde ruimte voor een kantoorwerkplek wordt bepaald door het voor de functie benodigde meubilair, de bedieningsruimte en de verkeersruimte op de werkplek. Veel bedrijven hebben een eigen normering voor de oppervlaktes van kantoorvertrekken ontwikkeld, gerelateerd aan het aantal medewerkers en het aanwezige meubilair. Op basis van deze normen is de NEN 1824 ontwikkeld, een Nederlandse norm voor het vaststellen van het minimum vloeroppervlak voor kantoorwerkplekken. De wettelijke basis voor deze norm is art. 3.19 van het Arbobesluit, dat luidt: ‘De afmetingen en het luchtvolume van de arbeidsplaats zijn zodanig, dat de werknemer zonder gevaar voor de veiligheid, de gezondheid of het welzijn zijn arbeid kan verrichten.’

Naast het bepalen van het aantal vierkante meters op basis van NEN 1824, is het overigens ook belangrijk te kijken naar zaken als invallend licht, tocht e.d. Het kan noodzakelijk zijn om in verband hiermee het aantal vierkante meters aan te passen.

Normering op basis van NEN 1824:

Uitgangspunt is een basiswerkplek per persoon. De minimaal benodigde oppervlakte wordt aangevuld afhankelijk van de situatie.

·

basiswerkplek (kantoorstoel, werktafel, beeldschermopstelling, lees/schrijfvlak, circulatie- en bewegingsruimte)

minimaal 6 m2 voor een werkplek met een plat beeldscherm (LCD/TFT) of laptop;

minimaal 7 m2 voor een werkplek met een klassiek beeldscherm (CRT).

De toegang tot een kantoorvertrek is onderdeel van de circulatieruimte. Het gebruik van de toegang (inclusief eventuele deur) mag geen hinder opleveren in de bewegingsruimte.

De aanpassing van de minimum oppervlakte voor de basiswerkplek is als volgt:

·

voor een vlak voor uitleg van tekeningen: + 2 m2

·

voor een vrijstaande kast: + 1 m2

·

voor een (verrijdbaar) ladeblok: + 0,5 m2

·

voor een overlegmogelijkheid: + 1,5 m2 per persoon

·

voor het overige meubilair en apparatuur (printer e.d., archiefkasten ): + eigen oppervlakte + gebruiksoppervlakte

De norm voor de basiswerkplek geldt alleen voor administratieve werkplekken die grote delen van de dag in gebruik zijn. Werkplekken die slechts één of twee uur per dag of slechts één dag per week in gebruik zijn, hoeven niet aan de normen te voldoen.

Voorbeeld

Voor een ruimte bedoeld voor drie personen die werken met een flatscreen, inclusief 3 staande kasten en een printer is de totaal benodigde oppervlakte:

3 maal basiswerkplek

6 m2

18 m2

3 staande kasten

1 m2

3 m2

1 printer

1 m2

1 m2

Totaal

22 m2


Laptop

Veilig en gezond werken met een laptop is alleen haalbaar mitst de ergonomie van de laptop (kwaliteit, afmetingen) goed is en de inrichting voldoet aan die van een standaard beeldschermwerkplek. Het gebruik van hulpmiddelen zoals een laptopstandaard, een los toetsenbord en een muis, zijn noodzakelijk om klachten te vermijden.

Computerwerkplekken PC-zalen.

Binnen de Universiteit Twente hebben we te maken met computerzalen waar studenten werkzaamheden verrichten. Ook voor studenten geldt de Arbo-wet en zij dienen hun werkzaamheden veilig en gezond uit te kunnen voeren. Voor de oppervlakte van werkplekken in computerzalen is geen standaard norm beschikbaar. In overleg met de Arbeidsinspectie is gekomen tot de volgende overeenstemming: een bureau van 1,20 bij 1.0 meter, met daarvoor 1 meter ruimte voor de stoel en 0,5 meter voor een loop/vluchtruimte tussen 2 rijen door (dus 0,25 meter per rij). Totaal betekent dit minimaal 2,7 m2 per werkplek per persoon

Oppervlakte PC zalen

Bij het berekenen van de noodzakelijke oppervlakte van een PC zaal moet allereerst gekeken worden naar de benodigde ruimte voor de computerwerkplekken (zie hierboven). Ook dient rekening te worden gehouden met overige noodzakelijke werkplekken, apparatuur en hulpmiddelen in de betreffende ruimte. Voor de benodigde oppervlakte van apparatuur en hulpmiddelen geldt de oppervlakte van het betreffende hulpmiddel + de noodzakelijke gebruikersruimte.

Uiteraard dient ook rekening te worden gehouden met eisen ten aanzien van het binnenmilieu en de klimaatbeleving (o.a. toevoer verse lucht per persoon en er moet rekening zijn gehouden met de warmte-afgifte van de apparatuur). In beleidsregel 6.2 van de Arbobeleidsregels is nadere informatie opgenomen over de eisen ten aanzien van luchtverversing. Daarnaast is het belangrijk te kijken naar zaken als invallend licht, tocht e.d. Het kan noodzakelijk zijn om in verband hiermee het aantal vierkante meters aan te passen.

Bij opstellingen van meerdere rijen werkplekken achter elkaar speelt ook de bouwverordening een belangrijke rol bij het bepalen van de noodzakelijke oppervlakte en aantal en grootte van de vluchtwegen. Hieronder is de informatie (opstellingsplannen) weergegeven op basis van bijlage 4 behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid van de model bouwverordening, de inrichting van (college)zalen.

Inrichting van collegezalen (Artikel 6 Opstellingsplannen):

1.

Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig zijn van tenminste 0,40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen.

2.

Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moeten, indien een rij meer dan vier stoelen bevat en vier of meer rijen achter elkaar zijn geplaatst, deze zo zijn gekoppeld dan wel aan de vloer zijn bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. De stoelkoppeling moet ten genoegen van Burgemeester en Wethouders zijn uitgevoerd.

3.

Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang uitkomt, mag niet meer dan acht zitplaatsen bevatten.

4.

Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang uitkomt, mag ten hoogste bevatten:

- zestien zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is dan 0,45 meter;

- tweeëndertig zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter;

- vijftig zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per vier rijen een uitgang met een breedte van tenminste 1,10 meter aanwezig is.

5.

Meubelen en voor aankleding of versiering dienende voorwerpen op en op minder dan 2,50 meter hoogte boven de vloer van een ruimte waarin personen verblijven mogen - voor meubelen gemeten bij gebruik daarvan - in loodrechte projectie op de vloer van de ruimte slechts een zodanige ruimte beslaan dat tenminste:

- 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is;

- 0,30 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen;

- 0,50 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen.

6.

Meubelen en voor aankleding of versiering dienende voorwerpen in een ruimte waarin personen verblijven, moeten indien de vrije vloeroppervlakte minder dan 0,50 m2 per persoon bedraagt, zodanig zijn aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.

7.

Van ruimten waarin meer dan vijftig personen gelijktijdig kunnen verblijven, dient ten genoegen van Burgemeester en Wethouders een opstellingsplan aanwezig te zijn.