Samenvatting Nederlands

Samenvatting

Achtergrond, doelstelling, en methoden

Ondanks de hoge beschermingsniveaus van waterkeringen, kan de absolute veiligheid tegen overstromingen in Nederland niet worden gegarandeerd. Het voorbereiden van de maatschappij op mogelijke overstromingsrampen, inclusief de voorbereiding van individuele burgers, is één van de grote uitdagingen in het overstromingenbeleid van de toekomst. Dit proefschrift heeft tot doel om onze kennis te vergroten ten aanzien van de intenties van burgers om zich voor te bereiden op overstromingen. Kennis van de determinanten van deze gedragsintenties is onmisbaar bij het opzetten van goed gefundeerde, effectieve risicocommunicatie die zich richt op het faciliteren van de voorbereidingsbeslissingen die mensen nemen.

Gedragsintenties zijn onderzocht door toepassing van het Protective Action Decision Model (Lindell & Perry, 2000, 2004). Dit model biedt een sociaal-psychologisch perspectief op de manier waarop mensen besluiten zich al dan niet voor te bereiden op rampen. Dit proefschrift bevat vier studies. Deze studies steunen op de onderzoeksdata die zijn verzameld in drie vragenlijstensurveys die zijn uitgevoerd in dijkringgebieden langs de Nederlandse kust, in het rivierengebied, en langs het Markermeer.

Voornaamste bevindingen

Uit de antwoorden van 3.559 Nederlanders is duidelijk geworden dat slechts een enkeling van plan is zich in de nabije toekomst op overstromingen voor te bereiden. Echter, mensen zijn in sterkere mate geneigd om voorbereidingen te treffen gericht op noodsituaties (bijvoorbeeld, het kennen van evacuatieroutes) dan om schadebeperkende maatregelen te nemen (bijvoorbeeld, zandzakken kopen). Uiteraard, de hamvraag is: waarom zijn de voorbereidingsintenties onder het Nederlandse publiek over het algemeen laag? Om deze gedragsintenties te kunnen verklaren, richt dit onderzoek zich op drie mechanismen: 1) percepties van het risico op overstromingen, 2) percepties ten aanzien van de eigen verantwoordelijk in het voorbereiden op overstromingen, en 3) percepties van mogelijke voorbereidingsmaatregelen.

Ten eerste, het huidige hoge beschermingsniveau en de afwezigheid van grote overstromingen in Nederland, alsmede de communicatie inspanningen die bovenal de sterkte van de waterkeringen hebben benadrukt in de voorbije 60 jaar, hebben ervoor gezorgd dat de mogelijkheid op overstromingsrampen een blinde vlek is geworden. De bevolking heeft een groot vertrouwen in de kwaliteiten van de waterbeheerders om waterkeringen te bouwen en te onderhouden. Slechts een minderheid (13%) van alle 3.559 respondenten acht een overstroming in de komende 10 jaar als een waarschijnlijke gebeurtenis. Bovendien, mensen ervaren weinig angstgerelateerde gevoelens wanneer zij denken aan hun blootstelling aan het risico op overstromingen. Samen verklaren deze variabelen tot 26% van variantie in de (lage) gedragsintentie (zie Hoofdstuk 2). Hoewel 67% van alle 3,559 respondenten gelooft dat zij zijn blootgesteld aan grote gevolgen in geval van een overstroming, speelt deze perceptie een ondergeschikte rol in het besluit zich al dan niet voor te bereiden.

Ten tweede, 75% van het publiek vindt dat de overheid hoofdzakelijk verantwoordelijk is voor schade aan hun bezittingen als gevolg van overstromingen (zie de Hoofdstukken 3 en 5). Het is opmerkelijk echter, dat een meerderheid (ongeveer 68%) de verantwoordelijkheid accepteert om zich persoonlijk voor te bereiden op mogelijke noodsituaties, zoals evacuaties. Dit is van belang omdat het aangeeft dat een groot deel van de bevolking open staat voor de suggestie dat men zelf actie zal moeten nemen om zich voor te bereiden op overstromingen. Echter, het gepercipieerde verantwoordelijkheidsgevoel correleert in dit onderzoek niet met de gedragsintentie om zich voor te bereiden op overstromingen. Een mogelijke verklaring is dat Nederlanders de collectieve bescherming tegen overstromingen als de morele plicht van de overheid zien, een overweging die te maken heeft met morele intuïties als ‘goed’ en ‘fout’. Morele intuïties zijn vaak niet gerelateerd aan de eigen gedragscontext. Anderzijds, de mate waarin iemand verantwoordelijkheid accepteert kan eveneens te maken hebben met de vraag of iemand mogelijkheden ziet om zelf actie te ondernemen (‘actie verantwoordelijkheid’). Indien weinig mogelijkheden worden gezien om zich voor te bereiden op overstromingen, is de kans groot dat deze verantwoordelijkheid niet wordt geaccepteerd (defensieve attributie).

Ten derde, de meest invloedrijke determinant van de gedragsintentie is de mate waarin men het idee heeft dat voorbereidingsmaatregelen ook daadwerkelijk effectief zijn om de eigen veiligheid en die van het gezin te vergroten, in het geval van een overstroming. Daarnaast zijn mensen sterker geneigd om voorbereidingen te treffen wanneer die ook de mogelijkheid bieden om hun bezitingen te beschermen, of wanneer voorbereidingen als nuttig worden ervaren voor andere situaties dan overstromingen. Deze drie ‘effectiviteits-attributen’ verklaren samen tussen de 32% en 41% van de variantie in de gedragsintentie. Echter, om zich te wapenen tegen de gepercipieerde gevolgen van overstromingen, acht men weinig voorbereidingsmaatregelen echt effectief. Het is zeer duidelijk dat het hebben van informatie over de gevolgen van een overstroming, zoals het kennen van mogelijke waterdiepten, evacuatieroutes, en mogelijke veilige vluchtplaatsen in de eigen buurt/regio, als de meest effectieve vorm van voorbereiden wordt gezien. Toch geeft slechts 30% van de mensen aan dat zij in de nabije toekomst zelf op zoek zal gaan naar dergelijke informatie. De psychologische theorie voorspelt eveneens dat gedragsintenties kunnen inzakken wanneer mensen de indruk hebben dat zij over onvoldoende middelen (zoals geld, tijd, kennis en vaardigheden, of hulp van anderen) beschikken om voorbereidingen te treffen. Echter, de onderzoeksresultaten bieden geen duidelijke ondersteuning voor een verband tussen percepties van de benodigde middelen en de gedragsintentie.

Implicaties voor risicocommunicatie

1

Mensen zullen alleen overwegen zich op overstromingen voor te bereiden, wanneer ze daarvan zelf de relevantie inzien. Het is daarom van het grootste belang dat de communicatie wordt afgestemd op de lokale behoeften van mensen die staan blootgesteld aan overstromingsrisico’s. Daarnaast, het besluit van mensen om zich voor te bereiden op overstromingen moet worden gezien als de ultieme uitkomst van een proces dat bestaat uit meerdere stappen (bijvoorbeeld, zoals onderkend wordt in het PADM model). De huidige manier van communiceren volgt een generieke aanpak voor verschillende risico’s en slaagt er niet in om deze stappen in de besluitvorming van mensen op de juiste wijze te adresseren.

2

Het stimuleren van het bewustzijn ten aanzien van overstromingsrisico’s is hoogst noodzakelijk. Risicocommunicatie moet veel duidelijker de mogelijkheid op overstromingen benadrukken.

3

Nederlanders zijn niet vertrouwd met het hebben van een eigen verantwoordelijkheid in het voorbereiden op overstromingen. Om mensen te motiveren tot het nemen van voorbereidende maatregelen, dient risicocommunicatie gebruik te maken van ‘fear-appeal’, gecombineerd met informatie over de lokale gevolgen van overstromingen en aanbevelingen ten aanzien van lokaal effectieve voorbereidingshandelingen die weinig eisen stellen aan de middelen die mensen tot hun beschikking hebben.

a.

In de communicatie moet duidelijk gemaakt worden dat de waterbeheerders zich onverminderd zullen blijven inspannen voor de preventie van overstromingen, maar dat er in aanvulling daarop zal worden gewerkt aan de rampenbestrijding waarbij de participatie van individuele burgers van groot belang is.

b.

Hoewel mensen over het algemeen denken dat de gevolgen van een overstroming voor henzelf groot zullen zijn, blijven mensen onbevreesd. Het opwekken van een emotionele respons bij de gedachte aan overstromingen is instrumenteel in het katalyseren van het voorbereidingsproces. Risicocommunicatie zou het gebruik van ‘angstaanjagende’ boodschappen niet uit de weg moeten gaan als de nadelige bijeffecten daarvan kunnen worden geminimaliseerd.

c.

Indien de communicatie er in slaagt om angstgerelateerde emoties op te wekken, maar er niet in slaagt voorbereidingshandelingen aan te bevelen die als effectief worden ervaren, dan zullen mensen mogelijk teleurgesteld raken en hun verantwoordelijk in het voorbereiden op overstromingen afwijzen. De communicatie moet zodanig worden vormgegeven dat de angstaanjagende boodschap ervoor zorgt dat mensen gemotiveerd raken om hun angstgevoelens teniet te doen door lokaal effectieve voorbereidingen te treffen.

d.

Mensen zullen alleen voorbereidingen treffen wanneer zij de indruk hebben dat die voorbereidingen hen helpen in het geval van een overstroming. Mensen zijn daarbij het meest geïnteresseerd in voorbereidingen die de veiligheid van henzelf en hun familie vergroot. Mensen weigeren verantwoordelijk te zijn voor schade als gevolg van overstromingen.

e.

Wanneer mensen de indruk hebben dat voorbereidingen veel eisen van de middelen die zij tot hun beschikking hebben, zullen ze geneigd zijn hun besluit uit te stellen. Er moet onderzoek worden gedaan naar de wijze waarop informatie vormgegeven kan worden, vooral wanneer het gaat om risicokaarten, zodat zij voor leken (burgers) eenvoudig te begrijpen zijn .

4

De meerderheid van het Nederlandse publiek is tegen de invoering van een particuliere verzekering voor schade als gevolg van overstromingen. Indien de overheid besluit tot de invoering van een dergelijke verzekering, maar geen rekening houdt met de wijze waarop mensen aankijken tegen de verantwoordelijkheidsverdeling tussen burger en overheid op het terrein van overstromingsrisico’s, dan kan dat ten koste gaan van het vertrouwen dat de bevolking stelt in de overheid.

Implicaties voor vervolgonderzoek

1.

De resultaten van Hoofdstuk 2 geven aan dat mensen hun overstromingservaringen associëren met zowel negatieve emoties (gevoelens van angst en onzekerheid) als positieve emoties (gevoelens van eenheid en solidariteit). Negatieve emoties hangen samen met een hogere mate van zelfgerapporteerde angst wanneer men denkt aan overstromingen, terwijl positieve emoties vaker samenhangen met minder zelfgerapporteerde angst. Een belangwekkende vervolgvraag is hoe risicocommunicatie op levendige wijze de lokale gevolgen van overstromingen kan simuleren zodanig dat zij resulteert in een emotionele respons welke leidt tot een gevoel van urgentie, en daarmee mensen motiveert zich voor te bereiden op overstromingen (fear-appeal).

2.

Er is momenteel een groot gebrek aan kennis met betrekking tot de werkelijke effectiviteit van individuele voorbereidingsmaatregelen. Er bestaan complexe afhankelijkheden tussen collectieve rampenbestrijdingsplannen en de mogelijkheden van individuen om zich op overstromingen voor te bereiden. Dit heeft grote implicaties voor de inhoud van risico- en crisiscommunicatie. Onderzoek naar de werkelijke effectiviteit van voorbereidingsmaatregelen is noodzakelijk.

3.

Risicocommunicatie op het terrein van overstromingen doet momenteel dezelfde aanbevelingen (bijvoorbeeld, het noodpakket) voor verschillende doelgroepen in verschillende risicogebieden. Deze wijze van communiceren schiet tekort omdat zij geen rekening houdt met de lokale behoeften, en het is daarmee onwaarschijnlijk dat zij enig effect sorteert. Om te komen tot goed gefundeerde, effectieve communicatie, dient onderzoek gedaan te worden naar de causale effecten van communicatieboodschappen in een zogenaamde experimentele laboratorium setting. Uiteindelijk dient de communicatie te worden getest in het veld, waarbij expliciet rekening gehouden dient te worden met de lokale verschillen tussen gebieden en de implicaties daarvan voor de individuele mogelijkheden van mensen om zich voor te bereiden op overstromingen.