Technische Wiskunde
Eerst kijken we naar de driehoek van 24. We zien dat we 24 alleen maar kunnen maken door de getallen 7, 8 en 9 op te tellen. Dus in de cirkeltjes van de driehoek van 24 moeten de getallen 7, 8 en 9. Van deze 3 getallen moet er één in het cirkeltje wat ook bij de driehoek van 10 hoort. Te zien is dat hier zowel niet 8 als 9 kan staan. Als we er namelijk 9 zouden neerzetten moeten in de ander 2 cirkeltjes de getallen 1 en 0 staan, dit kan niet. Als we er de 8 neer zouden zetten moet er in de andere cirkeltjes de getallen 1 en 1 of 2 en 0. Dit mag ook niet. Dus kunnen we de 7 invullen. Ook weten we nu meteen dat in de andere 2 cirkeltjes van driehoek 10 de cijfers 1 en 2 moeten, omdat we anders niet op een som van 10 uitkomen.
Nu gaan we kijken naar de driehoek met 18. We weten dat in de cirkeltjes al een 7 staat en of een 1 of een 2. Stel nou dat we de 1 in het cirkeltje zetten wat zowel bij driehoek 10 als bij driehoek 18 hoort, dan krijgen we 7+1=8 dus een som van 8. Dit zou betekenen dat we in het laatste cirkeltje van driehoek 18 een 10 moeten zetten, maar dit kan niet. Dus weten we dat de 2 in het cirkeltje moet. Nu kunnen we ook meteen de 9 en 8 van driehoek 24 op de goede plaats zetten en ook de 1 invullen in driehoek 10.
Voor driehoek 15 hebben we tot nu toe 2 getallen ingevuld, namelijk 9 en 2. Als we deze optellen komen we op een som van 9+2=11. Dus moet in het laatste cirkeltje van driehoek 15 het getal 4.
Als we nu kijken welke getallen we overhouden zijn dat 3, 5 en 6. Deze moeten in de cirkeltjes met de vraagtekens en dus weten we dat het getal 3+5+6=14 in de driehoek met het vraagteken moest staan.